ECLI:NL:CRVB:2006:AU9251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens niet-verdisconteerde gratificatie
Appellante kreeg een WAO-uitkering die later werd herzien vanwege het niet meenemen van een jaarlijkse gratificatie in de berekening. Hierdoor werd vastgesteld dat zij te veel uitkering had ontvangen over de periode van 1 november 1997 tot en met 30 september 2002. Gedaagde vorderde dit bedrag terug en appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat haar uitkering ongewijzigd zou blijven, maar dit werd niet als een geldige reden voor kwijtschelding van de terugvordering erkend. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van een bijzondere situatie die onaanvaardbare gevolgen voor appellante zou hebben.
De Raad benadrukte dat alleen in incidentele gevallen met bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van terugvordering. Aangezien appellante het bedrag inmiddels had terugbetaald en geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan, werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.