ECLI:NL:CRVB:2006:AU9252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant, voormalig afdelingshoofd bij een gemeente, kreeg sinds 3 oktober 1997 een WAO-uitkering wegens psychosomatische klachten en een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Na een herbeoordeling in 2001 concludeerde de verzekeringsarts dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was en introk de uitkering per 8 augustus 2001, later gewijzigd naar 7 oktober 2001.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, met het argument dat hij medisch meer beperkt was dan aangenomen, dat het onderzoek onvolledig was en dat reïntegratie niet adequaat werd opgevolgd. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond vanwege het ontbreken van een uitlooptermijn, maar de Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de grieven in het hoger beroep worden meegenomen bij de beoordeling van het bestreden besluit.
De Raad oordeelt dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk, mede op basis van een medisch onderzoek door een externe psychiater en de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts. Er is geen aanleiding om het medisch onderzoek als ondeugdelijk te beschouwen. Ook het ontbreken van een arbeidsdeskundig onderzoek is gerechtvaardigd omdat geschiktheid voor het eigen werk is vastgesteld. De Raad bevestigt dat het bestreden besluit niet vernietigd wordt en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.