ECLI:NL:CRVB:2006:AU9355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid na val van steiger en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering
Appellant, een steigerbouwer, raakte arbeidsongeschikt na een val van een steiger waarbij hij meerdere botbreuken en kneuzingen opliep. Na afloop van de wachttijd werd hem een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25%.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit een onjuiste reductiefactor was toegepast, waardoor een nieuwe beslissing op bezwaar werd gelast. Bij het bestreden besluit werd de WAO-uitkering toegekend op basis van een juiste inschatting van de beperkingen en de arbeidsmogelijkheden van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er nog geen medische eindsituatie was bereikt en dat hij meer beperkt was dan vastgesteld, mede door pijn- en psychische klachten. De Raad oordeelde echter dat de medische grondslag van het besluit juist was, gesteund door onderzoeken van verzekeringsartsen en medisch specialisten, en dat appellant geen aanvullende medische stukken had overgelegd.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, omdat de toekenning van de WAO-uitkering en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid naar behoren waren vastgesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarbij de WAO-uitkering van 15-25% arbeidsongeschiktheid is bevestigd.