ECLI:NL:CRVB:2006:AU9382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na beoordeling resterende verdiencapaciteit
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel uit wegens schouder-, psychische en schildklierklachten. Na hervatting van werkzaamheden als peuterleidster voor 15 uur per week werd haar WAO-uitkering ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen waren onderschat en dat de maatman onjuist was vastgesteld, omdat haar nieuwe functie als peuterleidster als uitgangspunt had moeten gelden in plaats van schoonmaakster. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen adequaat was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie dat een wijziging van maatman niet aan de orde is wanneer het loon in de nieuwe functie lager is dan in de oude. Aangezien appellante als peuterleidster minder verdiende dan als schoonmaakster, was de maatman correct toegepast.
De Raad vond geen aanleiding voor nader medisch onderzoek of voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat de beperkingen en maatman juist zijn vastgesteld.