ECLI:NL:CRVB:2006:AU9446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad vernietigt intrekking WAO-voorschot wegens schending zorgvuldigheidsbeginsel
Appellant was sinds 2 maart 1998 arbeidsongeschikt wegens luchtwegklachten en ontving vanaf 16 april 1999 voorschotten op een WAO-uitkering. Op 12 september 2001 weigerde het UWV de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 16 april 1999 en trok de voorschotten in. De rechtbank vernietigde dit besluit deels omdat het voorschot niet met terugwerkende kracht mocht worden ingetrokken vóór 7 september 2000, de datum waarop appellant werd geïnformeerd over de aard van de betalingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat herziening of intrekking van een lopende uitkering niet zonder voorafgaande aanzegging en een termijn van ten minste twee maanden kan plaatsvinden, en dat appellant pas op 27 augustus 2001 werd geïnformeerd over de beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden. Hierdoor kon intrekking niet eerder dan twee maanden daarna plaatsvinden, tenzij appellant eerder zijn verdiencapaciteit had gerealiseerd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit in zijn geheel en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de zorgvuldigheidsregels. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellant en vergoeding van griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het zorgvuldigheidsbeginsel bij het intrekken van sociale zekerheidsuitkeringen en stelt duidelijke eisen aan de procedurele waarborgen voor de betrokkene.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het WAO-voorschot wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel.