ECLI:NL:CRVB:2006:AU9611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-voorschotten na weigering uitkering
Appellante, een schoonmaakster die tien uur per week werkte, kreeg vanaf 22 april 1999 voorschotten op een WAO-uitkering toegekend. Na onderzoek weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering definitief en vorderde de eerder betaalde voorschotten terug.
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat zij wel recht had op de WAO-uitkering. Dit bezwaar werd door het Uwv ongegrond verklaard en de rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 20 februari 2003.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet in staat was werkzaamheden te verrichten, maar dit betoog kon niet leiden tot een andere beslissing omdat de aanspraak op de WAO-uitkering reeds definitief was afgewezen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de terugvordering terecht was, zonder dat sprake was van dringende redenen om daarvan af te zien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit tot terugvordering van de voorschotten. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter H. van Leeuwen en leden T.L. de Vries en H.J. Simon, in aanwezigheid van griffier J.E. Meijer, op 13 januari 2006.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de terugvordering van WAO-voorschotten wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.