ECLI:NL:CRVB:2006:AU9649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering naar alleenstaande norm afgewezen wegens ontbreken bijzonder geval
De zaak betreft een geschil over de herziening van de AOW-uitkering van twee appellanten, waarbij zij verzoeken om toepassing van de alleenstaande norm in plaats van de gehuwdennorm. De Sociale verzekeringsbank had hun AOW-pensioen met ingang van juni 2001 herzien, maar niet verder terugwerkend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit vonnis omdat de rechtbank niet op het beroep van één van de appellanten had beslist.
In hoger beroep staat centraal of sprake is van een bijzonder geval dat een verdere terugwerkende kracht van de herziening rechtvaardigt. De Raad oordeelt dat onbekendheid met de mogelijkheid tot herziening geen bijzonder geval vormt. Ook is de onbekendheid van een gemachtigde met de wettelijke voorschriften aan de betrokkene toe te rekenen. De Sociale verzekeringsbank kon bovendien niet worden verweten onvoldoende te hebben geïnformeerd, aangezien de appellanten niet kenbaar hadden gemaakt duurzaam gescheiden te leven.
De Raad verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de herziening van de AOW-uitkering slechts met terugwerkende kracht van één jaar terecht is toegepast. Hiermee wordt de eerdere beslissing van de Sociale verzekeringsbank bekrachtigd, en wordt het verzoek om een ruimere terugwerkende kracht afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot herziening van de AOW-uitkering met terugwerkende kracht van één jaar wordt ongegrond verklaard.