ECLI:NL:CRVB:2006:AU9930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing eerdere ingangsdatum arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellant diende in 1982 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar deze werd in 1984 niet verder in behandeling genomen vanwege het niet reageren op oproepen. In 2002 werd hem een uitkering toegekend met ingang van 19 januari 1994. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat zijn uitkering eerder had moeten ingaan.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de aanvraag van 1982 feitelijk was afgedaan en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de jaren voorafgaand aan 1995 niet in staat was een aanvraag in te dienen. De rechtbank stelde vast dat appellant ondanks zijn problemen wel in staat was om een bijstandsuitkering aan te vragen, wat erop wijst dat hij zijn belangen kon behartigen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat er geen sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin, van de WAO. Hierdoor kan de uitkering niet eerder ingaan dan een jaar voor de aanvraag, dus niet voor 19 januari 1994. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder ingaat dan een jaar voor de aanvraagdatum.