ECLI:NL:CRVB:2006:AU9931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over theoretische en feitelijke schatting WAO-uitkering
Appellante ontvangt sinds 1995 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na onderzoeken door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 77,1% op basis van een theoretische schatting en 74,2% op basis van feitelijke verdiensten. Gedaagde herzag het besluit in 2003 en stelde het verlies op 77,1% vast.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de schatting op feitelijke verdiensten had betrokken en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de medische informatie geen onderschatting van beperkingen toonde en dat de toename van klachten niet met objectieve gegevens was onderbouwd.
De Raad stelde vast dat de arbeidsdeskundige beide schattingen had uitgevoerd en dat de rechtbank de schatting op feitelijke verdiensten terecht had betrokken bij haar beoordeling. Het betoog van gedaagde dat de theoretische schatting gehandhaafd kon blijven, werd niet meer behandeld omdat gedaagde geen hoger beroep had ingesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De rechtbank had de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat de schatting op feitelijke verdiensten eveneens een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% opleverde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak dat de theoretische schatting naast de schatting op feitelijke verdiensten mag worden betrokken bij de vaststelling van de WAO-uitkering.