Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9943

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7317 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen verboden onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden in verschillende reglementen

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van Stichting Het Gebaar betreffende de hoogte van een slotuitkering op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen sprake was van verboden ongelijke behandeling.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat geen verboden onderscheid bestaat tussen uitkeringsgerechtigden onder het Uitkeringsreglement en personen uit de Joodse gemeenschap of de Sinti en Roma gemeenschap die uitkeringen ontvangen op grond van andere reglementen. Dit komt doordat de doelgroepen van deze verschillende uitkeringsreglementen niet gelijk zijn.

De Raad volgt daarmee de rechtbank en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

04/7317 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het bestuur van de Stichting Het Gebaar, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift met bijlage aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op
7 december 2004, reg. nr. AWB 03/ 1565 BESLU ZWA, door de rechtbank Maastricht gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift doen indienen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende.
Aan appellant is bij besluit van gedaagde van 4 november 2002 een tegemoetkoming toegekend van € 1.361,34 op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Het Gebaar (hierna: het Uitkeringsreglement) en dit bedrag is op voorschot betaalbaar gesteld. Bij besluit van 10 april 2003 is aan eiser op grond van het Uitkeringsreglement een slotuitkering toegekend van € 460,66. Een door eiser tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het thans in geding zijnde besluit van 11 november 2003, kenmerk 81009, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen laatst genoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of aan eiser op grond van het Uitkeringsreglement een hogere slotuitkering toekomt dan € 460, 66. De rechtbank heeft deze vraag in ontkennende zin beantwoord en heeft daarbij geoordeeld dat geen van de door eiser aangehaalde vormen van verboden ongelijke behandeling zich hier voordoet. De Raad kan de rechtbank in dit oordeel en in de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel volgen. Hetgeen eiser in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Ook de Raad kan niet zien dat sprake is van een verboden onderscheid tussen de uitkeringsgerechtigden op grond van het Uitkerings- reglement en diegenen uit de Joodse gemeenschap of de Sinti en Roma gemeenschap, die op grond van de Uitkeringsreglementen individuele uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid dan wel van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma een uitkering hebben ontvangen. Naar het oordeel van de Raad kan van een verboden ongelijke behandeling al geen sprake zijn, aangezien de doelgroepen van deze verschillende uitkeringsreglementen niet gelijk zijn.
De aangevallen uitspraak komt gezien het vorenstaande voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door nr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling- Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.