ECLI:NL:CRVB:2006:AV0048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/3388 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet tijdig indienen

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda waarin haar beroep ongegrond werd verklaard wegens niet tijdige indiening van het bezwaarschrift. Het bezwaar betrof de kwalificatie van werkzaamheden als verzekeringsplichtige arbeid volgens de sociale werknemersverzekeringswetten.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift van 19 mei 2004 niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes weken was ingediend en dat er geen omstandigheden waren die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die dit oordeel konden wijzigen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het beroep af. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat in uitzonderlijke gevallen een termijnoverschrijding kan toestaan. De uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift wegens niet tijdige indiening wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/3388 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 29 april 2005 onder kenmerk 04/2516 door de rechtbank Breda gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 december 2005 waar partijen -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 5 november 2004 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2004, waarbij appellante is medegedeeld dat de werkzaamheden die [betrokkene] voor haar heeft verricht verzekeringsplichtige arbeid betreft ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, vaststellend dat het niet aangetekend verzonden bezwaarschrift van 19 mei 2004 niet tijdig is ingediend en dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest en er sprake is van en verschoonbare termijn overschrijding.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en overweegt dat hetgeen appellante hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling is van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de rechtbank terecht gemotiveerd is verworpen. De eerst in hoger beroep naar voren gebrachte stelling dat het primaire besluit eveneens niet aangetekend verzonden is mist relevante betekenis aangezien appellante de ontvangst van dit besluit niet heeft betwist.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.