ECLI:NL:CRVB:2006:AV0164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beëindiging AAW-uitkering op grond van juiste vaststelling arbeidsinbreng en maatmaninkomen
Appellant, werkzaam als meewerkend zoon in het veehoudersbedrijf van zijn vader, kreeg een AAW-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling werd zijn uitkering beëindigd omdat hij volgens de Raad niet arbeidsongeschikt genoeg was. De arbeidsinbreng werd vastgesteld op 3000 uren per jaar, gebaseerd op fiscale nettowinstgegevens uit 1978.
Appellant voerde aan dat het maatmaninkomen op basis van het CAO-loon had moeten worden berekend en dat de arbeidsinbreng onjuist was vastgesteld. Ook stelde hij dat hij weer recht had op een uitkering van 45-55% arbeidsongeschiktheid en dat de procedure te lang had geduurd.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat het gebruik van de fiscale nettowinst over 1978 gerechtvaardigd was, omdat appellant geen gegevens over andere jaren kon aanleveren. De arbeidsinbreng van 3000 uren per jaar werd als redelijk en niet onjuist beschouwd. De Raad verwierp de stelling dat appellant opnieuw recht had op een hogere uitkering en oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn geen vernietiging van het besluit rechtvaardigde.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij geen aanleiding was voor schadevergoeding of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De beëindiging van de AAW-uitkering per 1 maart 1996 wordt bevestigd omdat de arbeidsinbreng en het maatmaninkomen juist zijn vastgesteld.