ECLI:NL:CRVB:2006:AV0321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering en de rol van sociaal loon bij nieuwe werkgever
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verhoogd van 25-35% naar 35-45%. De kernvraag was of bij de berekening van de arbeidsongeschiktheid rekening moest worden gehouden met het ontvangen sociaal loon bij zijn nieuwe werkgever.
De Raad stelde vast dat sociaal loon alleen wordt aangenomen als het loon niet in redelijkheid de economische waarde van de arbeid weerspiegelt en er een onmiskenbare bedoeling is om loon en uitkering aan te vullen tot het oude niveau. Dit was bij de nieuwe werkgever niet aannemelijk omdat deze niet op de hoogte was van het sociaal loon dat de vorige werkgevers betaalden.
Appellant voerde aan dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn indiensttreding bij de nieuwe werkgever geen gevolgen zou hebben voor zijn uitkering, maar de Raad verwierp dit op grond van het ontbreken van een ondubbelzinnige schriftelijke toezegging.
De Raad bevestigde dat artikel 36 van Pro de WAO de grondslag is voor de herziening en dat geen dringende reden bestond om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 6 november 2003 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond.