ECLI:NL:CRVB:2006:AV0364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij CVS
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 7 september 2001, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de belastbaarheid van appellante juist was vastgesteld op basis van medische rapporten van verzekeringsartsen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk was, omdat het oordeel over haar arbeidsongeschiktheid niet eenduidig was. De Raad overwoog dat de beschikbare medische gegevens, waaronder rapporten van verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, voldoende waren en dat het niet nodig was om een extra medisch onderzoek te gelasten.
De Raad stelde vast dat het oordeel van de huisarts onvoldoende gemotiveerd was en dat de brieven van internisten geen duidelijk standpunt innamen over de arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde dat er geen sprake was van een bijzonder geval waarbij de arbeidsongeschiktheid niet objectief kon worden vastgesteld.
Daarom werd het bestreden besluit van het UWV om de WAO-uitkering in te trekken bevestigd. Het verzoek om nader medisch onderzoek werd afgewezen, en de Raad onderschreef tevens de door de rechtbank gemaakte beoordeling van de geselecteerde functies die appellante zou kunnen verrichten.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid zonder noodzaak voor nader medisch onderzoek.