ECLI:NL:CRVB:2006:AV0549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beëindiging kinderbijslag en onderhoudseis bij kinderen in Turkije
Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die de kinderbijslag voor zijn kinderen Gülsah en Canan, die in Turkije wonen, beëindigden vanwege het niet voldoen aan de onderhoudsbijdrage-eis. De SVB stelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij zijn onderhoudsverplichtingen op de voorgeschreven wijze had voldaan, mede omdat niet duidelijk was wie geldopnames in Turkije had gedaan.
De rechtbank Rotterdam had de besluiten grotendeels bevestigd, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraken deels. De Raad oordeelt dat de SVB niet zorgvuldig heeft gehandeld door niet te beoordelen of herziening met terugwerkende kracht kennelijk onredelijk was, zoals voorgeschreven in het beleid en de Algemene wet bestuursrecht. Tevens is vastgesteld dat appellant in Nederland een huishouden voerde met zijn echtgenote en jongste kinderen, terwijl de oudste kinderen in Turkije bij een familielid woonden.
De Raad bevestigt dat appellant moet aantonen dat hij de onderhoudsbijdrage op een voor de SVB controleerbare wijze heeft voldaan. Het enkel opnemen van geld met een bankpas in Turkije volstaat niet. Ook de verrekeningsbrieven van de SVB worden als besluiten aangemerkt en vernietigd, evenals de boete en terugvorderingsbesluiten die op deze besluiten zijn gebaseerd.
De Raad beveelt de SVB aan een nieuw besluit te nemen waarbij het beleid omtrent kennelijke onredelijkheid wordt toegepast en veroordeelt de SVB tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard en deels bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt deels eerdere besluiten en oordeelt dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het beleid omtrent kennelijke onredelijkheid.