ECLI:NL:CRVB:2006:AV0684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op WAZ-uitkering op basis van inkomstenjaar 2001 zonder middeling
Appellant, een zelfstandige met een eenmansbedrijf in antieke schouwen en beeldhouwwerken, ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ. Gedaagde heeft in 2002 een korting toegepast op de uitkering vanwege de inkomsten uit arbeid in 2001, waardoor de uitkering werd verlaagd naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de korting onjuist was omdat de inkomsten over 2001 bepalend waren gesteld in plaats van een middeling over de jaren 1998 tot en met 2001. Hij voerde aan dat zijn inkomsten sterk wisselden en dat door een wijziging in het belastingstelsel vanaf 2001 geen middeling meer mogelijk was.
De Raad overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in de kortingsbepalingen van de WAZ geen grondslag bestaat voor middeling van inkomsten over meerdere jaren. De feitelijke inkomsten per boekjaar zijn bepalend voor de korting, niet een gemiddelde over meerdere jaren. Dit volgt uit vaste rechtspraak, ook voor eerdere arbeidsongeschiktheidswetten. Middeling is alleen aan de orde bij schattingsbeslissingen na langdurige toepassing van kortingsbepalingen, wat hier niet speelt.
Het argument van appellant over de bijzondere aard van zijn bedrijf en de belastingstelselwijziging wordt niet gevolgd. De Raad benadrukt dat bij korting op grond van artikel 58 WAZ Pro het gaat om feitelijke inkomsten die in het betreffende jaar zijn verworven. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De korting op de WAZ-uitkering is terecht vastgesteld op basis van de inkomsten uit 2001 zonder middeling over meerdere jaren.