AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging korting op WAZ-uitkering op basis van inkomstenjaar 2001 zonder middeling
Appellant, een zelfstandige met een eenmansbedrijf in antieke schouwen en beeldhouwwerken, ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ. Gedaagde heeft in 2002 een korting toegepast op de uitkering vanwege de inkomsten uit arbeid in 2001, waardoor de uitkering werd verlaagd naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de korting onjuist was omdat de inkomsten over 2001 bepalend waren gesteld in plaats van een middeling over de jaren 1998 tot en met 2001. Hij voerde aan dat zijn inkomsten sterk wisselden en dat door een wijziging in het belastingstelsel vanaf 2001 geen middeling meer mogelijk was.
De Raad overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in de kortingsbepalingen van de WAZ geen grondslag bestaat voor middeling van inkomsten over meerdere jaren. De feitelijke inkomsten per boekjaar zijn bepalend voor de korting, niet een gemiddelde over meerdere jaren. Dit volgt uit vaste rechtspraak, ook voor eerdere arbeidsongeschiktheidswetten. Middeling is alleen aan de orde bij schattingsbeslissingen na langdurige toepassing van kortingsbepalingen, wat hier niet speelt.
Het argument van appellant over de bijzondere aard van zijn bedrijf en de belastingstelselwijziging wordt niet gevolgd. De Raad benadrukt dat bij korting op grond van artikel 58 WAZPro het gaat om feitelijke inkomsten die in het betreffende jaar zijn verworven. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De korting op de WAZ-uitkering is terecht vastgesteld op basis van de inkomsten uit 2001 zonder middeling over meerdere jaren.
Uitspraak
03/5685 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft J.J.A.M. Peters, accountant-administratieconsulent te Deventer, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 17 oktober 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 03/698.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 16 december 2005, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant exploiteert een eenmansbedrijf dat zich richt op handel in en vervaardigen, repareren en plaatsen van antieke schouwen, open haarden en beeldhouwwerken. Hij ontvangt al sedert lange tijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering, laatstelijk op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 2 december 2002 heeft gedaagde in verband met de door appellant in het jaar 2001 ontvangen inkomsten uit arbeid op grond van artikel 58 vanPro de WAZ over dat jaar een korting toegepast op de WAZ-uitkering van appellant, aldus dat die uitkering is uitbetaald naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van 22 april 2003, hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen het besluit van 2 december 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Als (enig) bezwaar tegen de in het bestreden besluit vervatte korting heeft appellant - ook in hoger beroep - doen aanvoeren dat daarbij ten onrechte zijn inkomsten over het jaar 2001 bepalend zijn geacht, in plaats van de gemiddelde inkomsten over de jaren 1998 tot en met 2001. Aangezien die gemiddelde inkomsten negatief zijn, had volgens appellant geen korting op zijn uitkering mogen worden toegepast. Ter motivering van de door hem voorgestane middeling van inkomsten heeft appellant gewezen op het specifieke karakter van zijn bedrijf, dat meebrengt dat per jaar sprake is van (sterk) wisselende inkomsten. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat door een wijziging in het belastingstelsel met ingang van 2001 het, anders dan voordien, niet langer mogelijk is tot middeling van inkomens over te gaan.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij in navolging van de rechtbank zijn beoordeling zal beperken tot het hiervoor weergegeven geschilpunt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat vorenomschreven opvatting van appellant niet kan worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Raad - de Raad noemt als voorbeeld zijn uitspraak van 24 april 1996, gepubliceerd in RSV 1996, 189 - waarin is neergelegd dat bij korting op een arbeidsongeschikt- heidsuitkering wegens inkomsten uit arbeid als zelfstandige voor middeling van bedrijfsresultaten noch in de kortingsbepalingen noch in enige andere wettelijke bepaling steun is te vinden. De Raad merkt nog op dat bedoelde rechtspraak, die is tot stand gekomen in zaken waarin aan de orde was toepassing van de kortingsbepalingen uit de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, in gelijke mate geldt voor de in dit geding aan de orde zijnde kortingsbepaling uit de WAZ.
Het argument van appellant dat de bijzondere aard van zijn bedrijf meebrengt dat sprake van is per jaar (sterk) wisselende inkomsten en dat het daarom in de rede ligt om bij eventuele korting de inkomsten over meerdere jaren in ogenschouw te nemen, kan niet worden aanvaard als een toereikende grond om af te wijken van de hiervoor vermelde vaste rechtspraak.
De Raad wijst erop dat het bij korting op grond van de wettelijke anticumulatie-bepalingen als - in dit geval - artikel 58 vanPro de WAZ, steeds gaat om het in mindering brengen op de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsuitkering van door de uitkeringsgerechtigde feitelijk verworven inkomsten die meer bedragen dan in overeenstemming is met de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Uitsluitend de feitelijke inkomsten zijn bepalend, welke inkomsten bij zelfstandigen per boekjaar plegen te worden vastgesteld.
Anders dan appellant kennelijk meent is derhalve niet van belang of die feitelijke inkomsten, beoordeeld naar een langere periode, ook geacht kunnen worden representatief te zijn voor de nog daadwerkelijk bestaande verdiencapaciteit. Bij schattingsbeslissingen ligt dat anders. Zo is in gevallen waarin op grond van de wet tot schatting moet worden overgegaan omdat gedurende een aaneengesloten tijdvak van drie jaren toepassing is gegeven aan de kortingsbepalingen, in de jurisprudentie aanvaard - de Raad wijst op zijn uitspraak van 12 augustus 2003, gepubliceerd in RSV 2003, 265 - dat de alsdan uit te voeren feitelijke schatting geschiedt aan de hand van de gemiddelde inkomsten over de afgelopen drie jaren. De Raad heeft daarbij overwogen dat gezien de fluctuaties die kunnen optreden in de inkomsten van zelfstandigen juist door het in aanmerking nemen van een langere periode de representativiteit van het inkomen als uitdrukking van het verdienvermogen van de verzekerde wordt vergroot.
Bij korting wegens feitelijke inkomsten zoals in het onderhavige geval aan de aan de orde spelen de hiervoor vermelde overwegingen niet en ontbreekt de noodzaak om over te gaan tot middeling van inkomsten over meerdere jaren.
Mede in het licht van het vorenoverwogene onderschrijft de Raad voorts de overweging van de rechtbank dat het argument dat appellant vanwege invoering van het nieuwe belastingstelsel per 1 januari 2001 geen middelingsverzoek meer kan indienen over de periode tot en met 2001, evenmin een omstandigheid is waarmee, gelet op de van toepassing zijnde kortingsbepaling, rekening kan worden gehouden.
De Raad komt tot de slotsom dat gedaagde terecht de bij de onderhavige korting in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid heeft vastgesteld aan de hand van de door appellant in het jaar 2001 verworven inkomsten.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.