ECLI:NL:CRVB:2006:AV0743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3308 APPA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 APPAArt. 134 APPAArt. 130 APPAArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verrekening FPU-uitkering op APPA-uitkering voormalige wethouder

Eiser, voormalig wethouder van een gemeente, maakte aanspraak op een APPA-uitkering na zijn aftreden in maart 2002. Tevens ontving hij vanaf augustus 2002 een FPU-uitkering vanwege vervroegde uittreding uit het voortgezet onderwijs. Het geschil betrof de vraag of de FPU-uitkering in mindering mocht worden gebracht op de APPA-uitkering indien het totaal de uitkeringsbasis van de APPA-uitkering overschrijdt.

De Raad overwoog dat de FPU-uitkering valt onder het begrip inkomsten uit of in verband met arbeid zoals bedoeld in artikel 134 van Pro de APPA. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie, waarbij de APPA-uitkering een financiële overbrugging biedt na aftreden uit een politieke functie zolang de belanghebbende de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en geen voldoende nieuwe inkomsten heeft.

De Raad verwierp het verweer dat deelname aan de FPU-regeling vrijwillig was en dat deze op een kapitaaldekkingsstelsel is gebaseerd. Ook de omstandigheid dat non-activiteitsverlof pas volledig vanaf 1991 werd verleend, gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. Gezien het gebonden karakter van de verrekeningsregeling in de APPA was er geen ruimte voor afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Daarnaast wees de Raad een vergoeding van proceskosten af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de FPU-uitkering mag worden verrekend op de APPA-uitkering.

Uitspraak

05/3308 APPA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2005, verzonden op 7 april 2005 met kenmerk 2005.001304.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder, zoals eerder aangekondigd, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Eiser is vanaf 1984 wethouder geweest van de gemeente [naam gemeente] en is per 28 maart 2002 als zodanig afgetreden. Ingaande deze datum is aan hem een recht op uitkering verleend ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).
Vanaf augustus 2002 heeft eiser gebruik gemaakt van de mogelijkheid van vervroegde uittreding uit zijn functie in het voortgezet onderwijs, in welke functie hem tot januari 1991 gedeeltelijk, en vanaf januari 1991 volledig non-activiteitsverlof zonder behoud van bezoldiging was verleend. Vanwege deze vervroegde uittreding ontvangt eiser een zogenoemde FPU-uitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Tussen partijen is in geschil of eisers FPU-uitkering in mindering dient te worden gebracht op zijn Appa-uitkering zoals verweerster in het bestreden besluit heeft neergelegd voorzover het totaal van beide uitkeringen de uitkeringsbasis van de Appa-uitkering overschrijdt. Daarbij is aangegeven dat de FPU-uitkering wordt aangemerkt als inkomen wegens activiteiten, te weten zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 134, tweede lid, aanhef en onder b, van de Appa.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 134, derde lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 130, eerste lid, aanhef en onder a, van de Appa is bepaald dat als inkomsten die met de uitkering van belanghebbende worden verrekend mede worden aangemerkt: de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder op non-activiteit was gesteld.
Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 13 juni 2002 met nummer 00/268 APPA (als bijlage bij deze uitspraak gevoegd), valt onder deze inkomsten ook een FPU-uitkering. Ook in de onderhavige situatie waarin, anders dan in genoemde uitspraak, artikel 134 van Pro de Appa rechtstreeks van toepassing is, overweegt de Raad daartoe dat de Appa-uitkering blijkens de wetsgeschiedenis voorziet in een financiële overbrugging na een aftreden uit een politieke functie, indien de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en zolang nog geen voldoende (nieuwe) inkomsten zijn gevonden. Voorts neemt de Raad daartoe in overweging dat de aanhef van het derde lid van artikel 134 van Pro de Appa mede verwijst naar het in het tweede lid van dit artikel genoemde begrip "belastbaar loon uit of in verband met arbeid", welk begrip ook uitkeringen omvat die zijn toegekend in verband met vroegere arbeid. Daarbij is, anders dan eiser heeft betoogd, niet van belang dat deelname aan de FPU-regeling voor hem niet verplicht was en dat deze is gebaseerd op een kapitaaldekkingsstelsel, mede gefinancierd uit door hem betaalde premies.
De Raad merkt nog op dat ook de omstandigheid dat aan eiser pas vanaf 1991 voor de volledige omvang van zijn functie non-activiteitsverlof is verleend, geen grond kan zijn voor een ander oordeel, nu zijn recht op Appa-uitkering volledig vanaf 1991 kon worden opgebouwd.
Gelet op het gebonden karakter van de in de Appa opgenomen regeling inzake verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, is de Raad voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder in dit geval ruimte had om daarvan op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken.
Dit betekent dat het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste uitleg van artikel 134 van Pro de Appa.
Eisers beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
4.01
+B