ECLI:NL:CRVB:2006:AV0774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1217 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bijzondere voorziening op grond van medische noodzaak Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Eiser, geboren in 1932, diende een aanvraag in voor een bijzondere voorziening op grond van medische noodzaak binnen de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Eerder was hij erkend als vervolgde, maar eerdere aanvragen werden afgewezen wegens het ontbreken van met vervolging samenhangende ziekten of gebreken. In 2004 werd zijn aanvraag voor een vergoeding voor aanschaf van een auto afgewezen omdat de verweerster oordeelde dat er geen medische noodzaak was.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat het medisch advies niet gebaseerd was op recente medische gegevens en dat zijn psychische klachten waren verergerd. De Raad constateerde dat de medische adviezen waarop het besluit was gebaseerd dateren van onderzoeken uit 1990, 1995 en 2000 en dat er geen recent medisch onderzoek was verricht, ondanks aanwijzingen voor een verslechtering van de psychische toestand.

De Raad oordeelde dat verweerster had moeten zorgen voor actualisering van de medische informatie en eventueel gericht onderzoek naar beperkingen bij het gebruik van taxi's. Door dit na te laten was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en kon het niet in stand blijven. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerster een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd verweerster veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende actueel medisch onderzoek en onvoldoende zorgvuldigheid, en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

05/1217 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 31 januari 2005, kenmerk JZ/I/70/2005/0052, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).
Namens eiser is mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, tegen dit besluit bij de Raad in beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift is aangegeven waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Aldaar is voor eiser verschenen mr. J.C.M. van Berkel voornoemd, als zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1932 te Meerssen, is, nadat eerdere aanvragen waren afgewezen omdat hij weliswaar vervolging had ondergaan maar niet voldeed aan het vereiste met betrekking tot nationaliteit en/of territorialiteit en er (nog) geen sprake was van met de vervolging verband houdende ziekten of gebreken, bij besluit van 13 maart 2001 (met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet) met de vervolgde in de zin van de Wet gelijkgesteld. Bij dat besluit heeft verweerster eiser onder meer ingaande 1 april 2000 in aanmerking gebracht voor een vergoeding voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Verweerster heeft daarbij overwogen thans van oordeel te zijn dat eiser psychische klachten heeft die voortvloeien uit de vervolging. Met betrekking tot eisers hart- en vaatklachten, CARA en slaapproblemen, alsmede zijn oogklachten was verweerster van oordeel dat die niet door de vervolging maar door andere oorzaken zijn ontstaan.
In april 2004 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om onder meer een bijzondere voorziening ter zake van de aanschafkosten van een auto. Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 14 september 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat er voor deze voorziening geen medische noodzaak is op grond van eisers psychische klachten. Evenmin acht verweerster op grond van voornoemde psychische klachten in samenhang met eisers niet uit de vervolging voortvloeiende lichamelijke klachten sprake van een medisch sociale wenselijkheid. Verweerster heeft daarbij in het bijzonder overwogen dat niet is gebleken dat er bij eiser beperkingen zijn om met de taxi te reizen. Verweerster heeft daarbij vermeld dat haar geneeskundig adviseur geen aanleiding heeft gezien om de huisarts en of specialisten aan te schrijven dan wel een medisch onderzoek te laten verrichten, aangezien hij over voldoende en consistente medische gegevens beschikt, en dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zelf een keuring te laten verrichten.
Eiser kan zich met dat besluit niet verenigen. Hij is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Eiser heeft een voorziening als deze voor het eerst aangevraagd, er waren geen actuele gegevens beschikbaar. Uit het sociaal rapport kwam naar voren dat eiser totaal beperkt is in het gebruik van openbaar vervoer en een en ander had aanleiding dienen te zijn voor een gericht medisch onderzoek.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Uit de gedingstukken blijkt dat eisers in 1989 gedane aanvraag nog is afgewezen in verband met het ontbreken van met de vervolging samenhangende ziekten of gebreken. Ook naar aanleiding van eisers aanvraag in 1995 kon nog geen psychopathologie worden vastgesteld. Bij haar onderzoek in augustus 2000 stelde A.M. Dekker-Koop, geneeskundig adviseur van verweerster, echter vast dat er toen sprake was van een PTSS en een GAF-score van 55-60 volgens de DSM-IV-Diagnose. Zij kwam onder meer tot de conclusie dat eiser, gelet op zijn causale angstklachten, normaliter niet per openbaar vervoer kon reizen.
De Raad leidt uit het vorenstaande af dat er in betrekkelijk korte tijd kennelijk sprake is geweest van een aanzienlijke verslechtering van eisers psychische gezondheidstoestand.
Blijkens het aanvullende sociaal rapport dat naar aanleiding van de in geding zijnde aanvraag is opgemaakt heeft eiser aangegeven dat zijn lichamelijke en psychische klachten de laatste jaren verergerd zijn.
Niet betwist wordt dat de medische adviezen waarop het bestreden besluit berust slechts gebaseerd zijn op de eerder in respectievelijk 1990, 1995 en 2000 ingestelde onderzoeken door de geneeskundig adviseurs van verweerster en dat zelfs de door eiser opgegeven huisarts en longspecialist niet zijn aangeschreven om recente informatie in te winnen.
Naar het oordeel van de Raad had, gezien de verergering van eisers psychische klachten in de loop der tijd, het op de weg van (de geneeskundig adviseurs van) verweerster gelegen de medische informatie omtrent eiser te actualiseren en/of, aangezien een dergelijk onderzoek tot nu toe nog niet heeft plaatsgevonden, gericht onderzoek te doen plaatsvinden naar de mogelijke beperkingen bij eiser om van een taxi gebruik te maken.
Nu medisch onderzoek als hierboven bedoeld achterwege is gelaten, is de Raad met de gemachtigde van eiser van oordeel dat het bestreden besluit niet met de in deze vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en derhalve niet in stand kan blijven.
De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser, die de Raad begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat verweerster het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,-vergoedt, te betalen door de Pensioen-en Uitkeringsraad;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser, ad € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.