ECLI:NL:CRVB:2006:AV0786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1533 AOR
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering uitkering op grond van Uitkeringsreglement Rechtsherstel Sinti en Roma wegens onvoldoende verblijf in Nederland tijdens WOII

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering als plaatsvervanger van haar moeder op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma. Deze aanvraag werd door het bestuur afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de moeder tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland verbleef.

De rechtbank ’s Hertogenbosch heeft deze afwijzing bevestigd, en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel in hoger beroep gevolgd. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante onvoldoende bewijs heeft geleverd van het verblijf van haar moeder in Nederland gedurende de oorlog.

De Raad achtte het van belang dat de moeder in België is geboren en dat haar moeder (de grootmoeder) voor die datum naar België was vertrokken, aldaar trouwde en haar kinderen grotendeels in België zijn geboren. Ook een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van Utrecht, waaruit bleek dat de grootmoeder tot juli 1943 in die gemeente stond ingeschreven, kon niet overtuigen vanwege de onbetrouwbaarheid van gegevens bij woonwagenbewoners.

De Raad bevestigt daarom het besluit van het bestuur en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de uitkering wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Uitspraak

05/1533 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het Bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op
2 februari 2005, reg. nr. AWB 02/3521, door de rechtbank ’s Hertogenbosch gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift doen indienen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 1 december 2005. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door
mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda.
II. MOTIVERING
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat met het volgende.
Appellante heeft bij gedaagde een aanvraag ingediend om als plaatsvervanger van haar moeder [naam moeder] in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (hierna: het Uitkeringsreglement). Deze aanvraag heeft gedaagde bij besluit van 14 maart 2002, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2002, afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 3, lid 2, juncto artikel 1 onder Pro b, artikel 2 en Pro artikel 3, lid 3,4 en 5 van het Uitkeringsreglement, omdat niet aannemelijk is geworden dat de rechtstreeks belanghebbende [naam moeder] tijdens de Tweede Wereldoorlog verblijf heeft gehad in Nederland.
In hoger beroep is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of appellante in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat haar moeder [naam moeder] gedurende de oorlog in Nederland heeft verbleven. De rechtbank heeft deze vraag in ontkennende zin beantwoord en de Raad kan de rechtbank in dit oordeel en in de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel volgen. De Raad volgt daarbij de rechtbank eveneens in haar oordeel dat gedaagde geen onredelijke uitleg heeft gegeven aan artikel 2 van Pro het Uitkeringsreglement door te bepalen dat in dit geval [naam moeder] enige tijd in Nederland moet hebben verbleven en mede de intentie moet hebben gehad voor langere tijd in Nederland te verblijven en/of met grote regelmaat in Nederland moet hebben vertoefd. Met de rechtbank acht de Raad in dit verband van belang dat
[naam moeder] op 30 augustus 1942 in België is geboren en dat haar moeder, [M.M. M.], voor die datum naar België is vertrokken, aldaar met een Belg is getrouwd en dat haar kinderen, de jongste uitgezonderd, in België zijn geboren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door appellante ingebrachte stukken niet aannemelijk is geworden dat [naam moeder] in Nederland heeft verbleven.
Ook op grond van het in hoger beroep namens appellante ingestuurde uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Utrecht waaruit blijkt [M.M. M.] tot 13 juli 1943 in die gemeente is ingeschreven geweest en ingaande die datum is uitgeschreven als “vertrokken Onbekend waarheen”, acht de Raad een verblijf in Nederland in bovenbedoelde zin van [naam moeder] niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de omstandigheid dat gegevens in de gemeentelijke basisadministratie vaak onvolledig of onjuist zijn bij diegenen als [M.M. M.], die met een woonwagen rondtrekken, kan de Raad gegeven alle overige omstandigheden die wijzen op een (bestendig) verblijf van
[M.M. M.] in België na de geboorte van [naam moeder], aan deze inschrijving niet het door appellante gewenste gewicht toekennen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.