ECLI:NL:CRVB:2006:AV0804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek wisseling maatman
De werknemer, werkzaam bij appellante, kreeg na een bedrijfsongeval een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid aan de linkerhand. Na herstel en werkhervatting in een aangepaste functie werd de uitkering ingetrokken. Later viel de werknemer opnieuw uit, nu met klachten aan de rechterarm, en werd een nieuwe WAO-uitkering toegekend op grond van artikel 43a van de WAO, dat een verkorte wachttijd mogelijk maakt bij toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.
Appellante betwistte dat de klachten aan de rechterarm verband hielden met het eerdere letsel aan de linkerhand en stelde dat de normale wachttijd van een jaar had moeten gelden. De Raad oordeelde dat gedaagde onvoldoende had onderzocht of sprake was van een wisseling van maatman, waardoor het besluit niet aan de onderzoeks- en motiveringsplicht voldeed.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond had verklaard. Gedaagde werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellante. Tevens werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en betaling van proceskosten.