ECLI:NL:CRVB:2006:AV0881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische grondslag weigering WAO-uitkering na wachttijd
Appellante, deels werkzaam als schoonmaakster en deels werkloos, meldde zich in september 1999 ziek met lichamelijke en vooral psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken weigerde het UWV haar een WAO-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellante stelde dat haar psychische beperkingen, veroorzaakt door belastende privéomstandigheden, haar al vóór de opname in begin 2001 volledig arbeidsongeschikt maakten. De Raad beperkte zijn beoordeling tot de medische grondslag. Uit een verzekeringsgeneeskundig rapport van september 2000 bleek dat haar toestand toen verbeterd was, er geen depressief beeld meer was en zij belastbaar werd geacht voor licht werk met een laag tempo.
De Raad vond onvoldoende aanwijzingen om de zienswijze van de verzekeringsarts te verwerpen en kon niet meegaan met de stelling van appellante dat haar psychische problematiek al in die mate bestond. Ook de brief van de vrouwenopvang en het ontbreken van behandeling door GGZ-instellingen ten tijde van belang ondersteunden dit niet. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing van volledige arbeidsongeschiktheid.