ECLI:NL:CRVB:2006:AV1034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2546 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 6:11 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling termijnoverschrijding bij bezwaar tegen afwijzing uitkering vervolgingsslachtoffer

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een afwijzend besluit op haar aanvraag van een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgingsslachtoffer. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van dertien weken.

Eiseres voerde aan dat ziekte haar verhinderde tijdig bezwaar in te dienen en overhandigde een medische verklaring ter onderbouwing. De Raad oordeelde echter dat uit de verklaring niet bleek dat eiseres daadwerkelijk niet in staat was om, eventueel met hulp van derden, het bezwaarschrift tijdig in te dienen.

Daarmee kon de niet-ontvankelijkverklaring niet worden opgeheven op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder geldige verontschuldiging.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/2546 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/C90/2004/0869, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 december 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 15 juli 2004, door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta aan eiseres verzonden op 23 juli 2004, heeft verweerster afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [betrokkene].
Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij schrijven van 20 oktober 2004, dat blijkens de gedingstukken op 29 oktober 2004 bij voormelde ambassade is ingekomen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster eiseres in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de in artikel 42, eerste lid, van de Wet in dit geval geldende bezwaartermijn van dertien weken. In dat verband is overwogen dat de door eiseres met betrekking tot de overschrijding aangevoerde omstandigheden de termijn-overschrijding niet kunnen verontschuldigen, waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat de voor de indiening van een bezwaarschrift te dezen geldende termijn van dertien weken is overschreden.
Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft eiseres, onder toezending van een doktersverklaring, aangevoerd dat zij ten gevolge van ziekte niet in staat is geweest binnen de gestelde termijn een bezwaarschrift in te dienen.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen eiseres heeft aangevoerd terecht geen grond gezien om de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat uit de door eiseres overgelegde medische verklaring niet blijkt dat zij heeft verkeerd in een toestand waarin het voor haar niet mogelijk was om - zonodig met behulp van derden, zoals bijvoorbeeld haar dochter - zorg te dragen voor het tijdig indienen van een bezwaarschrift.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.