ECLI:NL:CRVB:2006:AV1050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-157 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • J.P. Schieveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding van de beroepstermijn in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 26 januari 2006 uitspraak gedaan in het kader van een verzetprocedure. De opposante, wonende in Indonesië, had verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 31 maart 2005, waarin haar beroep tegen een besluit van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad niet-ontvankelijk was verklaard. Dit gebeurde omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. De opposante heeft op 11 juli 2005 verzet aangetekend, maar is niet verschenen op de zitting van 15 december 2005, waar de geopposeerde, vertegenwoordigd door mr. T.R.A. Dircke, wel aanwezig was. De Raad heeft vastgesteld dat de opposante in haar verzet geen gronden heeft aangevoerd die tot gegrondverklaring van het verzet zouden kunnen leiden. De door haar opgegeven redenen voor de overschrijding van de beroepstermijn werden niet als voldoende geacht om aan te nemen dat zij niet in verzuim was. De Raad heeft daarom, met toepassing van artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan in het openbaar, met mr. G.L.M.J. Stevens als rechter en J.P. Schieveen als griffier.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/157 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats] (Indonesië), opposante
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 31 maart 2005 het door opposante ingestelde beroep tegen een ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluit van 17 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig bij de Raad is ingediend.
Tegen die uitspraak heeft opposante verzet gedaan bij brief van 11 juli 2005, welke op 12 juli 2005 bij de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden en op 20 juli 2005 bij de griffie van de Raad is ontvangen.
Het verzet is behandeld ter zitting van 15 december 2005. Daar is opposante niet verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat opposante in verzet geen gronden naar voren heeft gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden.
Hiertoe heeft de Raad overwogen, dat hetgeen opposante in verzet aanvoert niet afdoet aan de overweging in bovengenoemde uitspraak dat de door opposante opgegeven redenen van overschrijding van de beroepstermijn niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim zou zijn geweest.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.