ECLI:NL:CRVB:2006:AV1064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht voor Slowaakse arbeidskrachten aan boord van hotelschepen
Appellanten exploiteerden hotelschepen en hadden via een Slowaakse firma arbeidskrachten in dienst die als stewardessen en kamermeisjes werkten. De arbeidskrachten werden door de firma geworven en betaald, maar appellanten betaalden hen ook contant. Bij looncontroles bleek dat appellanten geen premies voor sociale verzekeringen hadden afgedragen over deze lonen en de waarde van huisvesting aan boord.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellanten en de Slowaakse arbeidskrachten, gelet op de persoonlijke arbeidsplicht, loonbetaling en gezagsverhouding. De rechtbank vernietigde de besluiten voor zover deze zagen op de waarde van huisvesting, maar handhaafde ze voor het overige. Appellanten voerden aan dat er sprake was van inlening en dat de arbeidskrachten niet verzekerd waren vanwege het ontbreken van verblijfs- of tewerkstellingsvergunningen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Er was geen sprake van inlening, maar van bemiddeling door de Slowaakse firma. De arbeidskrachten waren niet in Nederland werkzaam, maar vielen toch onder de verzekeringsplicht op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. De boetenota’s zijn terecht opgelegd omdat appellanten hadden moeten onderkennen dat de firma slechts bemiddelde en dat zij premies verschuldigd waren. Het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Slowaakse arbeidskrachten in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding stonden en wijst het beroep tegen de correctie- en boetenota’s af.