ECLI:NL:CRVB:2006:AV1078

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6484 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en proceskostenveroordeling in WAO-uitkeringszaak

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het intrekken van haar WAO-uitkering, welke was gebaseerd op een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep werd een nieuwe beslissing genomen waarbij het bezwaar gegrond werd verklaard en de arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd werd vastgesteld op 80 tot 100%.

Naar aanleiding hiervan gaf de gemachtigde van appellante aan dat er geen belang meer was bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep en verzocht om veroordeling van gedaagde in de proceskosten en griffierechten. De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- voor rechtsbijstand en € 41,80 voor psychiatrische informatie, tezamen € 685,80. Tevens werd bepaald dat het betaalde griffierecht van € 139,-- aan appellante wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/6484 WAO
U I T S P R A A K
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van ongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 december 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van ongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Bij besluit van 15 juni 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 18 november 2004, nummer 04/1311 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Op 11 oktober 2005 heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar gegrond is verklaard en appellante met ingang van 15 december 2003 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
Namens appellante heeft mr. Bemelmans de Raad bij schrijven van 12 oktober 2005 medegedeeld dat appellante geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2004. Daarbij heeft de gemachtigde verzocht om gedaagde te veroordelen in de gemaakte kosten en het betaalde griffierecht.
Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
II. MOTIVERING
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.
Blijkens de brief van 12 oktober 2005 van mr. Bemelmans heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,--.
Met betrekking tot de vordering van € 41,80 inzake de kosten voor ingewonnen informatie bij een psychiater is de Raad van oordeel dat deze voor toewijzing in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 685,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde recht van € 139,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.