E N K E L V O U D I G E K A M E R
[appellant], wonende te [woonplaats] (V.S.), appellant,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2004, nr. 02/4967 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 december 2005, waar appellant – met kennisgeving – niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Appellant is hier te lande via een uitzendbureau werkzaam geweest als operator, tot hij deze werkzaamheden op 25 november 1991, na een bedrijfsongeval, heeft gestaakt. Gedaagde heeft aanvankelijk geweigerd om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toe te kennen, doch na een procedure heeft gedaagde bij besluit van 8 maart 2000 alsnog met ingang van
23 november 1992 een WAO-uitkering aan appellant toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant is omstreeks 1995 verhuisd naar de Verenigde Staten van Amerika, alwaar hij sindsdien woont.
Gedaagde heeft in maart 2002 van de Social Security Administration te Baltimore vernomen dat appellant inkomsten heeft verworven welke in 1996 $ 9.477,12 bedroegen, in 1997 $ 26.652,84, in 1998 $ 26.188,54 en in 1999 $ 28.652,10. Na kennisneming van deze gegevens heeft gedaagde bij besluit van 23 mei 2002 aan appellant medegedeeld dat zijn WAO-uitkering vanaf 1 januari 1996 blijft vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar dat gelet op zijn inkomsten uit arbeid de WAO-uitkering op grond van artikel 44, eerste lid, van de WAO, over het jaar 1996 wordt uitbetaald als ware appellant van 45 tot 55% arbeidsongeschikt en over de jaren 1997 en 1998 als ware hij minder dan 15% arbeidsongeschikt. Voorts heeft gedaagde bij besluit van dezelfde datum de WAO-uitkering van appellant op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken.
Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluiten van 23 mei 2002 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf 1 januari 2004 geen werk en geen inkomsten meer heeft en dat aan gedaagde is verzocht om herbeoordeling van zijn aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Ter zitting van de Raad is namens gedaagde medegedeeld dat naar aanleiding van dit verzoek vragen zijn gesteld aan appellant en zijn gemachtigde maar dat daarop geen reactie is ontvangen.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in geschil of gedaagde terecht heeft besloten om op grond van artikel 44, eerste lid, van de WAO de uitkering van appellant over het jaar 1996 uit te betalen als ware hij 45 tot 55% arbeidsongeschikt en over de jaren 1997 en 1998 als ware hij minder dan 15% arbeidsongeschikt, en om op grond van het tweede lid van voornoemd artikel de WAO-uitkering van appellant vanaf 1 januari 1999 in te trekken.
De rechtbank heeft ten aanzien van deze geschilpunten het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid:
"De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser werkzaamheden in het economisch verkeer heeft verricht, en dat daarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel werd beoogd, of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 44 van de WAO. De stelling dat eiser medisch gezien niet in staat was om te werken, kan – de juistheid ervan daargelaten – daaraan niet afdoen. Dat iemand (nog) niet geschikt is voor de werkzaamheden die hij de facto verricht, is nu juist een situatie waarop artikel 44 van de WAO betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder na ontvangst van de informatie met betrekking tot de inkomsten van eiser terecht overgegaan tot een loonkundige schatting, waarbij verweerder de inkomsten uit arbeid heeft afgezet tegen het maatloon. De periode van toepassing van de anticumulatieregeling is maximaal drie jaar. Nu eiser op 1 januari 1999 het werk drie jaar heeft volgehouden, heeft verweerder terecht het werk op grond van het tweede lid van art. 44 aangemerkt als arbeid, bedoeld in het vijfde lid van art. 18. Arbeid dus, die voor eisers krachten en bekwaamheden geschikt is.
De verdiensten van eiser, afgezet tegen hetgeen hij zou hebben verdiend in zijn vroegere werk als operator, als hij daarvoor niet arbeidsongeschikt was geworden, leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 van 45 tot 55% en vanaf 1 januari 1997 van minder dan 15%. Verweerder heeft derhalve terecht besloten de WAO-uitkering van eiser over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 uit te betalen als ware eiser 45 tot 55% arbeidsongeschikt en over de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 als ware eiser minder dan 15% arbeidsongeschikt. Voorts heeft verweerder terecht eisers WAO-uitkering op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken."
De Raad kan zich geheel verenigen met dit oordeel van de rechtbank en maakt dat tot het zijne. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daarbij wijst de Raad erop dat het feit dat appellant vanaf 1 januari 2004 geen werk meer zou hebben voor de in dit geding van belang zijnde tijdstippen niet van belang is. Wanneer appellant vanaf 1 januari 2004 weer aanspraak wenst te maken op een WAO-uitkering dient hij zich terzake te wenden tot gedaagde.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2006.