ECLI:NL:CRVB:2006:AV1181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens niet-verzekerd zijn op moment arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAO-uitkering met terugwerkende kracht vanaf december 1975 wegens een depressieve stoornis met psychose. De Raad bevestigt het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat appellante niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering omdat zij vanaf 1980, het moment waarop de arbeidsongeschiktheid medisch werd vastgesteld, niet meer verzekerd was.
De rechtbank en de Raad oordelen dat het vaststellen van het exacte tijdstip van arbeidsongeschiktheid bij een zich ontwikkelende psychische aandoening arbitrair is, en dat het risico van onduidelijkheid bij late melding voor rekening van appellante komt. Medische rapporten en verklaringen, waaronder die van psychiater Linthorst, bieden onvoldoende objectieve onderbouwing voor een eerdere arbeidsongeschiktheid vanaf 1975.
Appellante stelde dat een arsenicumvergiftiging in 1973 de oorzaak was van haar gezondheidsproblemen, maar dit werd niet medisch onderbouwd. De Raad concludeert dat er geen objectieve aanwijzingen zijn die een eerdere arbeidsongeschiktheid aantonen en wijst het hoger beroep af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om WAO-uitkering wordt afgewezen omdat appellante op het moment van arbeidsongeschiktheid niet meer verzekerd was.