ECLI:NL:CRVB:2006:AV1322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoge eigen bijdrage AWBZ na aanvraag AOW-pensioen ongehuwden
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de hoge eigen bijdrage ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) na de aanvraag van een AOW-pensioen voor ongehuwden door appellant en zijn echtgenote. De Sociale verzekeringsbank kende met terugwerkende kracht een AOW-pensioen voor ongehuwden toe, waarop gedaagde de hoge eigen bijdrage AWBZ met terugwerkende kracht vaststelde.
Appellant voerde aan dat de hoge eigen bijdrage niet eerder dan de datum van de aanvraag (8 augustus 2000) verschuldigd zou zijn en stelde dat sprake was van strijd met de hoorplicht en het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat de wijziging van de burgerlijke staat volgens het Bijdragebesluit zorg met ingang van de datum van de feitelijke wijziging geldt, niet vanaf de datum van melding of aanvraag. De Raad wees het beroep op hoorplicht af vanwege het ontbreken daarvan bij de primaire besluitvorming en stelde dat de motivering in bezwaar was hersteld.
Verder vond de Raad geen grond voor het vertrouwen op de lage eigen bijdrage ondanks onduidelijkheden in regelgeving en uitvoeringspraktijk. Ook was geen strijd met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld omdat appellant geen concrete gevallen had genoemd waarin anders was gehandeld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de hoge eigen bijdrage AWBZ met terugwerkende kracht en wijst het hoger beroep af.