ECLI:NL:CRVB:2006:AV1421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering en terugvordering pensioenkoopvaardij
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) die met ingang van 1 juli 2001 werd beëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Na een onderzoek van de Belastingdienst bleek dat appellant naast de bijstand ook een pensioen uit de koopvaardij ontving, welke hij niet had gemeld aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf.
Het College herzag daarop het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2000 en vorderde een bedrag van € 6.535,49 terug. Appellant voerde aan dat het pensioen als vermogen moest worden aangemerkt en buiten beschouwing moest blijven, dan wel dat een deel van het pensioen als inkomen uit arbeid moest worden vrijgelaten. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om niet tot terugvordering over te gaan.
De Raad oordeelde dat pensioeninkomsten periodiek zijn ontvangen en als inkomen moeten worden beschouwd, niet als gekapitaliseerd vermogen. De vrijlating van inkomsten uit arbeid was niet van toepassing omdat appellant geen arbeid meer verrichtte tijdens de pensioenontvangst. De niet-melding van pensioeninkomsten was een schending van de inlichtingenplicht, waardoor herziening en terugvordering terecht waren. Dringende redenen om hiervan af te zien waren niet aanwezig.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de bijstandsuitkering en de terugvordering van pensioeninkomsten die niet zijn gemeld.