ECLI:NL:CRVB:2006:AV1841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- L. Karssenberg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de wekeneis bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor WW-uitkering
Gedaagde was sinds mei 2002 werkzaam bij een werkgever en werd in oktober 2002 ziek gemeld. Ondanks ziekte verrichtte hij in de daaropvolgende weken gedeeltelijk arbeid. Na beëindiging van het dienstverband vroeg hij een WW-uitkering aan. De uitkeringsinstantie weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen omdat gedaagde volgens hen niet voldeed aan de wekeneis vanwege negen weken ziekte.
De rechtbank oordeelde dat de negen weken waarin gedaagde gedeeltelijk werkte, wel meetellen als weken waarin arbeid is verricht. Appellant stelde in hoger beroep dat deze weken niet mee mogen tellen omdat sprake zou zijn van mislukte werkhervattingen en volledige arbeidsongeschiktheid.
De Raad overwoog dat alle weken meetellen waarin feitelijk arbeid is verricht, ongeacht de omvang van de gewerkte uren. Er was geen bewijs dat gedaagde volledig arbeidsongeschikt was geweest na 7 oktober 2002. Het patroon van doorwerken duidt op arbeidsprestatie en geen mislukte werkhervatting. Artikel 17a WW, dat referteperiodes kan verlengen bij volledige arbeidsongeschiktheid, is hier niet van toepassing.
Daarom faalt het hoger beroep en wordt het bestreden besluit vernietigd. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat weken met gedeeltelijke arbeid meetellen voor de wekeneis en wijst het hoger beroep af.