ECLI:NL:CRVB:2006:AV1868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking ondanks zelfstandige kenmerken
Appellant verrichtte montagewerkzaamheden voor [de B.V.] en factureerde deze als zelfstandige. De looninspecteur concludeerde dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Gedaagde stelde appellant als verzekeringsplichtig voor werknemersverzekeringen vast. De rechtbank oordeelde dat de vergoeding die appellant ontving een loonkarakter had en dat er een gezagsverhouding bestond, mede doordat appellant aan kwaliteitsnormen van [de B.V.] moest voldoen en vrijwel zijn gehele omzet bij deze onderneming behaalde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen loonbetaling en geen gezagsverhouding was. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de vergoeding een contraprestatie was voor arbeid, ook al was deze hoger dan die van reguliere werknemers vanwege zelfstandige kosten. Daarnaast wees de Raad op het feit dat appellant in overleg met [de B.V.] zijn werkweek uitbreidde en dat zijn werkzaamheden binnen het organisatorische kader van [de B.V.] vielen.
De Raad concludeerde dat de zelfstandige kenmerken zoals eigen gereedschap, bestelbus, werkplaats en verzekeringen onvoldoende zijn om het bestaan van een dienstbetrekking te ontkennen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was en verzekeringsplichtig is voor werknemersverzekeringen.