ECLI:NL:CRVB:2006:AV2050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onjuiste grondslag
Appellante had bij besluiten van oktober 2000 een weigering van WAO-uitkering ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid per juni en oktober 1999. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit onjuist was omdat het gebaseerd was op artikel 43a van de WAO, terwijl artikel 39a van toepassing had moeten zijn.
De Raad nam het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Hulst mee, die concludeerde dat appellante vanaf 14 juni 1999 arbeidsongeschikt was. Dit was in tegenspraak met het latere standpunt van dezelfde arts dat er geen ziekte of gebrek was. De Raad achtte het eerdere rapport van mei 2000 relevant en vond dat de wachttijd van vier weken was vervuld. Voor de arbeidsongeschiktheid per 18 oktober 1999 oordeelde de Raad dat die voortkwam uit een andere oorzaak dan waarvoor de WAO-uitkering was toegekend.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de juiste wettelijke bepalingen.