ECLI:NL:CRVB:2006:AV2063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die haar werk als parttime cateringmedewerkster wegens vermoeidheidsklachten had gestaakt, verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsbeperkingen juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld, mede gelet op haar chronische vermoeidheid en klachten zonder duidelijke lichamelijke oorzaak. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de subjectieve klachten onvoldoende objectief zijn onderbouwd en dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts(en) juist is. Ook nieuw overgelegde stukken, waaronder een behandelplan en fysiotherapeutische rapporten, boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad benadrukte dat de criteria voor verstrekking van voorzieningen onder andere wetten niet vergelijkbaar zijn met die voor een WAO-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.