Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV2063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6314 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die haar werk als parttime cateringmedewerkster wegens vermoeidheidsklachten had gestaakt, verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsbeperkingen juist waren vastgesteld.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld, mede gelet op haar chronische vermoeidheid en klachten zonder duidelijke lichamelijke oorzaak. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de subjectieve klachten onvoldoende objectief zijn onderbouwd en dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts(en) juist is. Ook nieuw overgelegde stukken, waaronder een behandelplan en fysiotherapeutische rapporten, boden geen aanleiding tot een ander oordeel.

De Raad benadrukte dat de criteria voor verstrekking van voorzieningen onder andere wetten niet vergelijkbaar zijn met die voor een WAO-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

03/6314 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 10 november 2003 onder kenmerk AWB 02/1413 WAO tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde, door partijen niet bestreden, feiten.
Appellante heeft haar werk als part-time cateringmedewerkster met ingang van
20 oktober 1999 wegens (overwegend) vermoeidheidsklachten gestaakt.
Bij het bestreden besluit van 20 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2000 waarbij is geweigerd haar na ommekomst van de wettelijke wachttijd per 18 oktober 2000 een arbeidsongeschikt-heidsuitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen, dat het vanwege gedaagde ingestelde medische onderzoek niet onzorgvuldig is geweest en dat haar niet is gebleken dat de voor appellante geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen door gedaagde onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de inlichtingen van de appellante behandelende internist naar voren komt dat appellante lijdt aan een chronische vermoeidheid van onduidelijke herkomst. Uit de informatie van appellantes huisarts en de informatie van de behandelende reumatoloog blijkt dat er geen lichamelijke oorzaak is gevonden voor de door appellante beleefde pijnklachten. De appellante behandelende psychiater heeft de geuite klachten gerangschikt als aanpassingsstoornis met depressieve stemming waarvoor appellante een steunend en structurerend gesprekscontact is aangeboden. De door die psychiater verstrekte informatie biedt, aldus de rechtbank, evenmin objectivering van de door appellante gestelde arbeidsbeperkingen. De rechtbank heeft zodoende geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat de voor appellante ten tijde van belang geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen door de verzekeringsarts(en) zijn onderschat. Hierbij heeft de rechtbank omstandig uitgelegd en beklemtoond dat de subjectieve beleving van appellante niet toereikend is om andere of verdergaande arbeidsbeperkingen aan te nemen.
De Raad onderschrijft dit oordeel en deze overwegingen van de rechtbank.
Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het, aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige oordeel, zodat inschakeling van een deskundige door de Raad niet geïndiceerd is te achten.
De door appellante in hoger beroep overgelegde stukken geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel. In dat verband merkt de Raad nog op dat het (concept) behandelplan geen (relevante) andere informatie bevat dan de reeds door de behandelende psychiater verstrekte informatie. De verstrekking aan appellante van “Deur tot deur, samen reizend vervoer” in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten en de tijdelijke ontheffing van de sollicitatieverplichting op grond van appellantes medische situatie in het kader van de Wet werk en bijstand missen een kenbare medische onderbouwing. Afgezien daarvan kunnen de criteria op basis waarvan die verstrekking en die ontheffing hebben plaatsgevonden niet op één lijn worden gesteld met de criteria op basis waarvan een besluit als thans aan de orde in het kader van de WAO dient te worden genomen. Ook het behandelverslag van de fysiotherapeut, waarin overigens valt te lezen dat appellante haar fysieke mogelijkheden (langzaam) heeft weten te vergroten, geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.
Ter zitting heeft appellante nog zeer recente gegevens over een onderzoek naar het ontstaan en bestaan van chronische vermoeidheid en met name de betekenis van bepaalde in het ruggenmergvocht aangetroffen proteïnes overlegd. Daargelaten dat die tardief zijn ingebracht, zijn daaruit nog geen conclusies te trekken met betrekking tot de beperkingen die appellante stelt per 8 oktober 2000 te hebben.
Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
RB2001