ECLI:NL:CRVB:2006:AV2076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake loonadministratie en correctienota's sociale verzekeringen
Appellante stelde in hoger beroep dat zij haar administratie deugdelijk had gevoerd en dat de omzet volledig was verantwoord, terwijl gedaagde onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de administratie. De Raad constateerde dat appellante de omzet uit Duitsland niet volledig had verantwoord en dat een deel van de lonen niet in de loonadministratie was opgenomen, wat in strijd is met artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
De rechtbank had het besluit van 4 september 2002 gedeeltelijk vernietigd vanwege ontbrekende onderzoeksstukken, waarna gedaagde op 15 november 2004 een nieuw besluit nam dat het bezwaar van appellante deels inwilligde. Dit nieuwe besluit trad geheel in de plaats van het eerdere besluit, waardoor appellante geen procesbelang meer had bij het hoger beroep en dit niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad oordeelde dat de gehanteerde schattingsmethode voor het premieloon, gebaseerd op omzet en loongegevens, aanvaardbaar was en dat het risico van een hogere schatting voor rekening van appellante kwam. Verder vond de Raad geen grond voor de stelling dat de looncorrecties te hoog waren of dat het onderzoek onvoldoende was geweest. Ook het feit dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging overging en dat een andere betrokkene werd vrijgesproken, deed hieraan niet af.
Ten slotte oordeelde de Raad dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn en wees hij het beroep van appellante tegen het besluit van 15 november 2004 af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.