ECLI:NL:CRVB:2006:AV2104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening boete wegens overschrijding 5%-regeling
Appellante kreeg een boete opgelegd wegens overschrijding van de 5%-regeling in 2001, waarbij gedaagde opzet of grove schuld aannam en de boete vaststelde op 37,5% van de premie. Het bezwaar tegen deze boete werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het beroep daarop ongegrond verklaard. Vervolgens verzocht appellante om herziening van de boete met het argument dat zij direct melding had gemaakt van de indiensttredingen die tot de overschrijding leidden en dat de boete daarom lager had moeten zijn.
Gedaagde wees het verzoek om herziening af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en het oorspronkelijke besluit niet evident onjuist was. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het bestuursorgaan bevoegd was het verzoek om herziening af te wijzen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De Raad benadrukt dat de evident onjuistheid van het oorspronkelijke besluit geen doorslaggevende rol speelt bij het verzoek om herziening. Ook verwijst de Raad naar eerdere jurisprudentie over de toepassing van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de boete wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.