ECLI:NL:CRVB:2006:AV2164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid bij psychische en lichamelijke klachten
Appellant, werkzaam als havenarbeider, viel op 4 oktober 1999 uit wegens psychische klachten en schouder- en rugklachten. De rechtbank Amsterdam stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 35 tot 45% per 22 december 2000, waarbij enkele functies vanwege overschrijdingen buiten beschouwing werden gelaten. In hoger beroep betoogde appellant onder meer middelenmisbruik en beperkte belastbaarheid op persoonlijk risico.
De Raad concludeerde dat het middelengebruik relatief gematigd was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De functies die ten grondslag lagen aan de schatting werden als passend beschouwd, ondanks enkele markeringen. De vergelijking van mediane loonwaarde met het maatmaninkomen leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 38,17%.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De medische rapportages en belastbaarheidspatronen werden als juiste weergave van de situatie beschouwd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 35 tot 45%.