ECLI:NL:CRVB:2006:AV2348

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6872 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • J.G. Treffers
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9:1 AwbArt. 9:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen schadebesluit wegens ontbreken bezwaar- en beroepsmogelijkheid

Appellant, een bijstandsontvanger, diende een klacht in over de behandeling door medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam en vroeg vervolgens schadevergoeding wegens vermeende schade door deze gedragingen. Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, wees het verzoek af. Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve vast dat appellant niet ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn bezwaar tegen het schadebesluit, omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar- of beroepsmogelijkheid biedt tegen besluiten over schadevergoeding in dit kader. Hierdoor vernietigde de Raad het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.

De Raad oordeelde dat, bij het ontbreken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden tegen een schadeveroorzakende gedraging, de burgerlijke rechter bevoegd is om over de schadebeslissing te oordelen. De Raad veroordeelde gedaagde tevens tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het schadebesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

04/6872 NABW
UITSPRAAK
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van
10 december 2004, reg.nr. 04/5514 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. Op 8 oktober 2002 heeft hij bij gedaagde een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend over de wijze waarop medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam hem behandelen en met zijn gegevens omgaan. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hem niet is gebleken van een verzuim van de Sociale Dienst Amsterdam jegens appellant.
Bij brief van 18 december 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om vergoeding van de schade die hij naar zijn oordeel lijdt dan wel heeft geleden door de gedragingen waarover hij zich in zijn brief van 8 oktober 2002 heeft beklaagd.
Bij beslissing van 21 maart 2003 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat hem niet is gebleken van een behandeling door de Sociale Dienst Amsterdam die appellant schade zou hebben toegebracht.
Appellant heeft tegen de beslissing van 21 maart 2003 bij brief van 27 maart 2003 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen de beslissing van 21 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de bezwaren van appellant tegen de beslissing van gedaagde van 21 maart 2003.
Zoals eerder is vermeld heeft het verzoek om schadevergoeding van appellant betrekking op schade die het gevolg zou zijn van gedragingen van medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam waarover appellant zich met toepassing van
artikel 9:1 van Pro de Awb bij gedaagde heeft beklaagd.
De Awb biedt appellant niet de mogelijkheid om tegen bedoelde gedragingen bezwaar te maken of beroep in te stellen. Ingevolge artikel 9:3 van Pro de Awb staat ook tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een bestuursorgaan geen beroep open.
Omdat in het onderwerpelijke geval de mogelijkheid van bezwaar en beroep ter zake van de gestelde schadeveroorzakende gedragingen ontbreekt, is ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ook de beslissing van gedaagde op het onderhavige verzoek van appellant om schadevergoeding niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand eventueel bezwaar, ter zake van een bepaalde schadeveroorzakende gedraging/behandeling ontbreekt, zoals in dit geval, is de burgerlijke rechter bevoegd ten gronde over de schadebeslissing te oordelen.
Gezien het vorenstaande had gedaagde bij het besluit van 19 augustus 2004 appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn bezwaren tegen de beslissing van 21 maart 2003.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend zodat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten, het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2004 gegrond dient te worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant tegen de beslissing van gedaagde van 21 maart 2003 niet-ontvankelijk verklaren.
Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht omtrent het naar zijn oordeel schadeveroorzakende handelen van gedaagde moet gelet op het voorgaande buiten bespreking blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 11,60 wegens reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 augustus 2004;
Verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 21 maart 2003 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 11,60;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.