ECLI:NL:CRVB:2006:AV2427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over ingangsdatum WAZ-uitkering na late aanvraag
Appellant, een voormalig zelfstandig horecaondernemer, viel begin 1998 uit wegens psychische klachten en staakte zijn bedrijf. Hij diende een aanvraag in voor een WAZ-uitkering die pas op 6 februari 2002 volledig werd ingediend. De uitkering werd toegekend met ingang van 6 februari 2001, één jaar voor de aanvraagdatum.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat hij als bijzonder geval moest worden aangemerkt, zodat de uitkering eerder kon ingaan. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Uit medische stukken bleek dat appellant in de periode tussen uitval en aanvraag wel degelijk in staat was zijn belangen te behartigen.
De Raad oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen volgens artikel 36, tweede lid, WAZ. Ook het argument van gebrek aan ziekte-inzicht werd verworpen, mede omdat appellant contact had met zijn accountant en gemachtigde. De Raad achtte de aanvraagdatum terecht en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAZ-uitkering niet eerder ingaat dan één jaar voor de datum van de aanvraag.