ECLI:NL:CRVB:2006:AV2549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1218 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning als vervolgde onder de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 februari 2006 uitspraak gedaan in het hoger beroep van eiseres, die een aanvraag had ingediend voor erkenning als vervolgde onder de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, had verzocht om een periodieke uitkering, maar haar aanvraag was afgewezen door de Pensioen- en Uitkeringsraad. De Raad had vastgesteld dat niet was aangetoond dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving had ondergaan. Eiseres had verklaard dat zij en haar familie niet door de Japanse bezetter waren geïnterneerd, en dat zij pas tijdens de Bersiap-periode in een kamp had verbleven. De Raad concludeerde dat er geen bewijs was voor vervolging in de zin van de WUV, en dat de afwijzing van de aanvraag terecht was.

Tijdens de zitting op 5 januari 2006 was eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich had laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs. De Raad overwoog dat de grief van eiseres, dat zij niet over relevante stukken had kunnen beschikken, niet opging, omdat deze stukken haar begin november 2004 waren toegestuurd. De Raad oordeelde dat er geen grond was voor vernietiging van het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd er geen vergoeding van proceskosten toegekend, omdat er geen termen voor aanwezig waren. De uitspraak werd gedaan door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van griffier E. Heemsbergen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1218 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Australië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0868, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In september 2003 heeft eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.
Bij besluit van 28 juli 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens artikel 2 van de WUV wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan:
handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
Op grond van de voorhanden gegevens - in het bijzonder het zogeheten sociaal rapport dat op 29 december 2003 is opgemaakt door S.M van der Krogt, Hoofd Wuv Afdeling Australië - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Uit die gegevens komt niet meer of anders naar voren dan dat eiseres na de internering van haar vader door de Japanners en het overlijden van haar moeder in 1942, is opgevangen door haar grootouders en heeft gewoond en gewerkt op de melkerij van de moeder van haar vader. Eiseres heeft ten behoeve van voornoemd sociaal rapport verklaard dat zij en haar familie in verband met hun Indische achtergrond niet door de Japanse bezetter zijn geïnterneerd. Pas tijdens de zogeheten Bersiap-periode zou zij - zo heeft zij zelf verklaard - hebben verbleven in een kamp in Malang, doch van enige maatregel van de bezetter tegen eiseres, zoals omschreven in artikel 2, van de WUV die heeft geleid tot vrijheidsberoving tijdens de Japanse bezetting, is niet gebleken.
De Raad merkt voorts nog op dat de grief dat eiseres naar zij stelt, in de bezwaarfase niet heeft kunnen beschikken over relevante stukken, hoewel zij daarom wel aan verweerster had verzocht, geen doel treft nu blijkens het gestelde in het verweerschrift eiseres bedoelde stukken begin november 2004 heeft ontvangen en zij - zoals verzocht - op 15 november 2004 telefonisch door R.J. van Unen, assistent Wuv Afdeling Australië is gehoord.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.