ECLI:NL:CRVB:2006:AV2549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1218 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WUVArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving tijdens Japanse bezetting

Eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in september 2003 een aanvraag in voor erkenning als vervolgingsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster wees deze aanvraag bij besluit van 28 juli 2004 af, omdat niet was aangetoond dat eiseres vervolging in de zin van de wet had ondergaan. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar.

Eiseres voerde aan dat zij tijdens de Bersiap-periode in een kamp in Malang verbleef, maar uit het sociaal rapport en overige gegevens bleek dat zij en haar familie vanwege hun Indische achtergrond niet door de Japanse bezetter waren geïnterneerd. Zij woonde en werkte bij haar grootouders op een melkerij. Er was geen bewijs van vrijheidsberoving door de vijandelijke bezetter zoals vereist volgens artikel 2 van Pro de WUV.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en dat er geen grond was voor vernietiging. Ook de stelling van eiseres dat zij niet over relevante stukken beschikte werd verworpen, omdat zij deze stukken begin november 2004 had ontvangen en gehoord was door een assistent van de WUV-afdeling. De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 februari 2006.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat niet is vastgesteld dat zij vrijheidsberoving heeft ondergaan tijdens de Japanse bezetting.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1218 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Australië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0868, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In september 2003 heeft eiseres, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.
Bij besluit van 28 juli 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens artikel 2 van Pro de WUV wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan:
handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
Op grond van de voorhanden gegevens - in het bijzonder het zogeheten sociaal rapport dat op 29 december 2003 is opgemaakt door S.M van der Krogt, Hoofd Wuv Afdeling Australië - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Uit die gegevens komt niet meer of anders naar voren dan dat eiseres na de internering van haar vader door de Japanners en het overlijden van haar moeder in 1942, is opgevangen door haar grootouders en heeft gewoond en gewerkt op de melkerij van de moeder van haar vader. Eiseres heeft ten behoeve van voornoemd sociaal rapport verklaard dat zij en haar familie in verband met hun Indische achtergrond niet door de Japanse bezetter zijn geïnterneerd. Pas tijdens de zogeheten Bersiap-periode zou zij - zo heeft zij zelf verklaard - hebben verbleven in een kamp in Malang, doch van enige maatregel van de bezetter tegen eiseres, zoals omschreven in artikel 2, van de WUV die heeft geleid tot vrijheidsberoving tijdens de Japanse bezetting, is niet gebleken.
De Raad merkt voorts nog op dat de grief dat eiseres naar zij stelt, in de bezwaarfase niet heeft kunnen beschikken over relevante stukken, hoewel zij daarom wel aan verweerster had verzocht, geen doel treft nu blijkens het gestelde in het verweerschrift eiseres bedoelde stukken begin november 2004 heeft ontvangen en zij - zoals verzocht - op 15 november 2004 telefonisch door R.J. van Unen, assistent Wuv Afdeling Australië is gehoord.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.