ECLI:NL:CRVB:2006:AV2555

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-71 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 44 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 6:7 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroepschrift wegens termijnoverschrijding afgewezen

Opposante diende een beroepschrift in tegen een besluit van 29 september 2004, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend. Opposante maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door middel van verzet, dat op 5 januari 2006 werd behandeld, waarbij zij niet aanwezig was.

De Raad stelde vast dat het beroepschrift gedateerd was op 20 december 2004, maar pas op 2 januari 2005 ter post was bezorgd en op 6 januari 2005 was ontvangen, wat buiten de wettelijke termijn van dertien weken viel. Opposante voerde aan dat zij door taalproblemen en een poststaking vertraging had opgelopen en dat zij dacht dat de ontvangsttheorie van toepassing was.

De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden niet verschoonbaar waren en dat opposante de gevolgen van de termijnoverschrijding voor haar rekening moest nemen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift wegens termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/71 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], Israël, opposante,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 28 april 2005 het door opposante ingestelde beroep tegen een ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluit van 29 september 2004, kenmerk JZ/U80/2004/0643, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep-schrift niet tijdig bij de Raad is ingediend.
Tegen de uitspraak van 28 april 2005 heeft opposante bij brief van 20 juni 2005, ontvangen ter griffie van de Raad op 27 juni 2005, verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad van 5 januari 2006. Daar is opposante niet verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 44, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt dertien weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het bestreden besluit van 29 september 2004 is blijkens de stukken op gelijke datum per aangetekende post aan opposante toegezonden, zodat de termijn voor het indienen van het beroepschrift begon op 30 september 2004 en eindigde op 29 december 2004.
Het beroepschrift, gedagtekend 20 december 2004 en blijkens de poststempel op de enveloppe op 2 januari 2005 ter post bezorgd, is op 6 januari 2005 ter griffie van de Raad ontvangen.
Het beroepschrift is derhalve buiten de hiervoor omschreven termijn van dertien weken ontvangen.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Van dergelijke verschoonbare gronden is niet gebleken waarna op grond van bovenvermelde gegevens de Raad het beroep bij uitspraak van 28 april 2005 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Opposante voert in verzet het volgende aan.
Haar Nederlands was niet zo goed en er zijn in dat verband misverstanden van haar kant ontstaan. Als opposante had geweten dat ze kon volstaan met het indienen van een voorlopig beroepschrift, en dit later kon aanvullen, had zij dit eerder gedaan. Opposante heeft gewacht tot het definitieve beroepschrift klaar was.
Opposante heeft kontact gehad met het NIK betreffende het voorlopige beroepschrift.
Het definitieve beroepschrift is op een eerdere datum naar het NIK toegezonden.
Voorts geeft opposante aan dat de posterijen hebben gestaakt van 26 december 2004 tot 3 januari 2005 en dat zij uitging van de ontvangsttheorie en dat vanwege haar leeftijd zij met dwingendere zaken betreffende haar gezondheid en welzijn bezig moest zijn.
In hetgeen opposante ter zake in verzet heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding de onderhavige termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Naar het oordeel van de Raad dienen al de door opposante genoemde omstandigheden voor haar rekening en risico te komen.
De Raad laat daarbij wegen dat het beroepschrift is gedateerd 20 december 2004. Als opposante dit beroepschrift daags of kort daarna ter post had bezorgd, had de poststaking op de verzending geen invloed gehad en was het in ieder geval voor het einde van de beroepstermijn ter post bezorgd.
Uit het vorenstaande volgt dat het door opposante gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.