Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV2556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7315 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht afgewezen

Opposante had beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring heeft opposante verzet ingesteld.

De Raad stelde vast dat opposante tijdig was geïnformeerd over de betalingsverplichting en de uiterste betaaldatum. Ondanks haar stelling dat zij het schrijven niet had ontvangen en gedurende de termijn in het buitenland verbleef, werd het griffierecht pas na de deadline op de rekening van de Raad bijgeschreven.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de overschrijding van de betalingstermijn niet verschoonbaar was. Opposante had maatregelen moeten treffen om kennis te nemen van belangrijke post tijdens haar afwezigheid. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de betalingstermijn van het griffierecht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/7315 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], Israël, opposante,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 12 mei 2005 het door opposante ingestelde beroep tegen een ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluit van 30 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.
Tegen de uitspraak van 12 mei 2005 heeft opposante bij brief van 24 mei 2005, ontvangen ter griffie van de Raad op 31 mei 2005, verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad van 5 januari 2006. Daar is opposante in persoon verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is opposante bij schrijven van 19 januari 2005, dat is verzonden op 4 februari 2005 naar haar huisadres, gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht. Bij aangetekend verzonden schrijven van 25 februari 2005 is opposante meegedeeld dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening per kas diende te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven en is haar tevens erop gewezen dat zij er rekening mee diende te houden dat overschrijding van deze termijn niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou betekenen.
De Raad stelt vast dat de datum waarop het verschuldigde griffierecht per kas diende te zijn betaald dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven, 25 maart 2005 was.
Het griffierecht is eerst op 29 maart 2005 op de bankrekening van de Raad bijgeschreven, zodat moet worden vastgesteld dat opposante de in de brief van 25 februari 2005 genoemde termijn van vier weken heeft overschreden.
Het door opposante in verzet aangevoerde, te weten dat zij het schrijven van de Raad van 19 januari 2005 nimmer heeft ontvangen en tussen 13 februari en 27 maart 2005 buiten Israël verbleef, en het verschuldigde griffierecht direct na terugkomst heeft doen overmaken, is geen omstandigheid die voormeld verzuim verschoonbaar doet zijn.
Daarbij is van doorslaggevende betekenis dat bij het bestreden besluit is vermeld dat degene die beroep instelt bij de Raad een verzoek om betaling van griffierecht zal ontvangen en dat het dus op de weg van opposante had gelegen afdoende maatregelen te treffen om kennisneming van (belangrijke) poststukken als deze tijdens haar afwezigheid mogelijk te maken en eventueel actie te (laten) ondernemen.
Uit het vorenstaande volgt dat het door opposant gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.