Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV2716

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4907 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens overschrijding beroepstermijn in sociale zekerheidszaak

De opposante stelde beroep in tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad van 22 juli 2004. Dit beroep werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd verzet ingesteld.

Tijdens de zitting op 5 januari 2006 werd vastgesteld dat het besluit correct was verzonden op 22 juli 2004, waarmee de beroepstermijn op 23 juli 2004 begon en eindigde op 2 september 2004. De Raad oordeelde dat er geen omstandigheden waren die de overschrijding van de termijn konden verontschuldigen, ondanks het feit dat het besluit aanvankelijk retour was gekomen en later opnieuw was verzonden.

De gemachtigde van opposante voerde aan dat het besluit door afwezigheid van opposante retour was gekomen en dat er geen melding was gedaan door de postdienst. Ook werd gesteld dat opposante twijfelde over het instellen van beroep, waardoor het beroepschrift pas op 3 september 2004 werd ingediend. De Raad achtte deze omstandigheden onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren en wees het verzet af.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/4907 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 13 januari 2005 het namens opposante ingestelde beroep tegen een ten aanzien van haar door geopposeerde genomen besluit van 22 juli 2004, kenmerk JZ/B70y/2004/0496, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak is namens opposante verzet gedaan.
Bij schrijven van 19 december 2005 heeft geopposeerde de Raad een aantal stukken doen toekomen.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006, waar voor opposante is verschenen haar gemachtigde E.J.E. Herni, voorzitter van de Bond Ex-geïnterneerden en Gerepatrieerden van Overzee te Nieuw-Vennep, en geopposeerde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In verzet en ter zitting heeft de gemachtigde van opposante aangevoerd dat, wegens afwezigheid van opposante, het bestreden besluit van 22 juli 2004 door TPG-post naar verweerster is geretourneerd en aldaar op 18 augustus 2004 is ontvangen. Omtrent de verzending van dit aangetekend schrijven is, aldus de gemachtigde, door TPG-post geen melding aan opposante gedaan. In verband met het retour gezonden besluit is door een medewerkster van verweerster op
20 augustus 2004 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van opposante waarna het bestreden besluit nogmaals op 2 september 2004 aangetekend naar opposante is verzonden. Op eveneens 20 augustus 2004 heeft de gemachtigde, voornoemd, uiteindelijk contact gekregen met opposante en heeft hij haar een afschrift van het besluit doen toekomen. Aangezien opposante enige tijd twijfelde over het al of niet instellen van beroep is eerst op 3 september 2004 namens opposante een beroepschrift ingediend.
De Raad stelt vast dat in verzet en ter zitting geen gronden naar voren zijn gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden.
Hiertoe overweegt de Raad dat vastgesteld kan worden dat het besluit op correcte wijze zowel aan opposante als haar gemachtigde op 22 juli 2004 is verzonden. De beroeps-termijn is derhalve op 23 juli 2004 aangevangen zodat zij eindigde op 2 september 2004. In haar besluit is door verweerster gewezen op de beroepstermijn van zes weken. Ter sauvering van de beroepstermijn had gemachtigde van opposante, in afwachting van een beslissing van opposante met betrekking tot het instellen van beroep een voorlopig beroepschrift kunnen indienen. Van omstandigheden dat gemachtigde van opposante daartoe niet in staat zou geweest is de Raad niet gebleken. De Raad ziet dan ook geen reden de overschrijding van de beroepstermijn voor verontschuldigd te houden.
Het verzet dient derhalve ongegrond verklaard te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.