ECLI:NL:CRVB:2006:AV2729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G. van der Wiel
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon bij toekenning van twee Ziektewet-uitkeringen met wisselende uren
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van het dagloon van een gedaagde die twee Ziektewet-uitkeringen ontving: één gebaseerd op haar verzekering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en één op haar tijdelijke dienstverband met wisselende uren. De appellant, het UWV, had het dagloon vastgesteld op basis van een referteperiode van 13 weken, terwijl de rechtbank Middelburg dit besluit vernietigde omdat volgens haar geen grond was voor het toepassen van deze referteperiode.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat artikel 12, vierde lid, van de Dagloonregelen niet in de weg staat aan het gebruik van een referteperiode van 13 weken voor de dagloonberekening. Deze methode sluit aan bij het dervingsbeginsel en houdt rekening met de wisselende omvang van de gewerkte uren. Een alternatieve berekening, gebaseerd op het aantal uren werkloosheid in de laatste kalenderweek voor arbeidsongeschiktheid, zou leiden tot een ongunstiger resultaat voor de gedaagde.
De Raad benadrukte dat het dagloon voor de Ziektewet-uitkering gelijk moet zijn aan het WW-dagloon, vermenigvuldigd met de breuk die de verhouding tussen werkloosheid en arbeid weergeeft, en dat de gehanteerde referteperiode van 13 weken passend is om de gemiddelde verdiensten te bepalen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van het UWV ongegrond verklaard.
Deze uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de gehanteerde berekeningswijze bij wisselende arbeidsuren en verduidelijkt de toepassing van de Dagloonregelen in combinatie met de WW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt dat een referteperiode van 13 weken mag worden gehanteerd bij de vaststelling van het dagloon voor Ziektewet-uitkeringen met wisselende uren.