ECLI:NL:CRVB:2006:AV3020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens nagelaten aanvaarden passende arbeid
Appellant was sinds 1988 werkzaam als chef smeltbedrijf bij zijn werkgever. Vanwege bedrijfseconomische omstandigheden werd hem in april 2002 medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden en dat hij vrijgesteld werd van werk met behoud van loon. Tegelijkertijd bood de werkgever hem een vergelijkbare functie aan bij een andere werkgever op basis van uitlening, welke appellant heeft geweigerd.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst in juli 2002 wegens reorganisatie en het vervallen van de arbeidsplaats. Gedaagde weigerde vervolgens de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door het niet aanvaarden van passende arbeid, hetgeen door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep geen nieuwe argumenten voor en de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen.
De Raad stelde vast dat de aangeboden functie inhoudelijk vergelijkbaar was en dat appellant ondubbelzinnig geweigerd had. De weigering van de WW-uitkering was daarom terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Ook de terugvordering van ten onrechte betaalde voorschotten werd gehandhaafd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet aanvaarden van passende arbeid.