ECLI:NL:CRVB:2006:AV3056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant ontvangt sinds 1984 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en sinds 1994 een WAO-uitkering. Gedaagde heeft bij besluiten van mei en juni 2000 de uitkering herzien en een stimuleringsuitkering geweigerd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd door gedaagde ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor zover het ging om de weigering van de stimuleringsbijdrage, maar liet de herziening van de arbeidsongeschiktheid per 29 december 1995 en 7 oktober 1996 in stand.
De Centrale Raad constateert dat gedaagde niet heeft voldaan aan de verplichting essentiële stukken te overleggen die de herziening per 7 oktober 1996 onderbouwen. Gedaagde kon het standpunt niet anders motiveren en was niet op de zitting aanwezig. De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige grondslag onvoldoende is gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit vernietigd wordt. De vernietiging strekt ook tot de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het besluit in stand liet.
De Raad beveelt gedaagde een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Over mogelijke schadevergoeding wordt niet beslist omdat het nieuwe besluit nog moet volgen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering per 7 oktober 1996 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.