ECLI:NL:CRVB:2006:AV3079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering na wachttijd
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij na afloop van de wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt was en dat onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen moesten worden teruggevorderd. De rechtbank Amsterdam verklaarde deze bezwaren ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante op en na 13 april 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt was, mede gelet op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts die een zorgvuldige medische beoordeling maakte. Ook het arbeidskundig aspect, waarbij het uurloon en verdiencapaciteit werden beoordeeld, rechtvaardigt het besluit.
Verder is er geen reden om af te zien van terugvordering van de onverschuldigde uitkering. Appellante heeft geen penibele financiële situatie aannemelijk gemaakt en gaf geen inzicht in haar financiële situatie om een lagere terugbetalingsregeling te rechtvaardigen. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af, waardoor de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering blijft gehandhaafd.