ECLI:NL:CRVB:2006:AV3276

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2611 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijziging uitbetaling winstdeling en vermogenstoerekening bij uitkering vervolgingsslachtoffers

Eiser, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, betwistte een besluit van verweerster waarin een levensverzekeringsuitkering werd toegevoegd aan het vermogen dat in aanmerking wordt genomen voor korting op zijn periodieke uitkering.

Verweerster had deze herberekening uitgevoerd op grond van artikel 19 van Pro de Wet, dat dwingendrechtelijk voorschrijft dat nieuwe vermogensbestanddelen na aanvraag van de uitkering moeten worden meegenomen. Eiser voerde aan dat verweerster ten onrechte geen rekening hield met eerdere uitbetalingen van winstdelingen en met een schuld die was verrekend bij de uitkering, en dat een buitenwettelijke vrijstellingsregeling van toepassing zou moeten zijn.

De Raad oordeelde dat de vrijstellingsregeling pas vanaf 1 januari 2004 geldt en dus niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Ook is de schuldverrekening niet relevant omdat de schuld niet is aangegaan ter verkrijging van de uitkering. De buitenwettelijke regeling is een coulante maatregel van verweerster die slechts terughoudend kan worden getoetst. Er is geen schending van elementaire rechtsbeginselen en geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herberekening van de uitkering wordt gehandhaafd.

Uitspraak

05/2611 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 25 maart 2005, kenmerk JZ/L80/2005/0146, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 6 januari 2006 heeft eiser de gronden van zijn beroep nog verder toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 2006. Aldaar is eiser, zoals vooraf werd bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser vervolgde en uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet.
Bij berekeningsbeschikking van 30 november 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster een aan eiser in februari 2003 toegevallen levensverzekeringsuitkering - voorzover die uitkering geacht kan worden te zijn opgebouwd vóór de ingangsdatum van eisers periodieke uitkering, resulterend in een bedrag van € 4.598,75 en een extra vermogenskorting van € 15,33 per maand - toegevoegd aan het overeenkomstig artikel 19 van Pro de Wet voor korting op eisers periodieke uitkering in aanmerking komende vermogen.
Eiser heeft de juistheid van die toevoeging bestreden, aanvoerende - kort gezegd - dat verweerster ten onrechte geen rekening heeft gehouden met in genoemd bedrag opgenomen winstdelingen die ook eerder uitbetaald hadden kunnen zijn, noch met het feit dat hij de betreffende polis tot een bepaald bedrag had beleend welk bedrag bij de uitbetaling in mindering is gebracht.
Voorts heeft eiser erop gewezen dat verweerster inmiddels een vrijstellingsregeling hanteert, inhoudende dat de eerste € 5.000,-- aan vermogenstoeval buiten beschouwing wordt gelaten.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 19, vijfde lid onder b, van de Wet worden inkomsten uit vermogen opnieuw berekend indien na de aanvraag om een periodieke uitkering nieuwe vermogensbestanddelen toevallen. Deze bepaling is van dwingendrechtelijke aard, hetgeen betekent dat verweerster verplicht is deze bepaling toe te passen.
Vaststaat dat de onderhavige levensverzekeringsuitkering is aan te merken als een nieuwe vermogenstoeval als bedoeld in genoemd artikellid. Dat die toeval (veel) lager zou zijn geweest indien niet - zoals eiser heeft toegelicht - op een gegeven moment door de betreffende verzekeringmaatschappij was besloten om de winstdelingen niet meer jaarlijks uit te betalen doch toe te voegen aan het te zijner tijd uit te keren bedrag, is niet een factor waarmee verweerster rekening kan houden.
Evenmin is van betekenis dat eiser aan de betreffende verzekeringmaatschappij nog een bepaalde schuld had welke schuld met het betaalbaar gestelde bedrag is verrekend. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien eiser die schuld was aangegaan ter verkrijging van de uitkering, maar deze situatie heeft zich hier niet voorgedaan.
Namens verweerster is ter zitting toegelicht dat de door eiser genoemde vrijstellingsregeling is tot stand gebracht uit oogpunt van een zekere vereenvoudiging bij de toepassing van de onderhavige bepalingen, passend bij het streven om kleine wijzigingen buiten beschouwing te laten. Aangezien die regeling eerst geldt met ingang van 1 januari 2004 kan eiser hieraan evenwel geen rechten ontlenen.
De Raad stelt vast dat het hier gaat om een begunstigende buitenwettelijke regeling, welke geacht moet worden te berusten op de algemene aan verweerster als uitvoeringsorgaan van de Wet toekomende bevoegdheid tot het treffen van maatregelen om te komen tot een efficiënte en coulante bedrijfsvoering.
Een zodanige regeling kan de Raad slechts zeer terughoudend toetsen. Dit brengt mee dat de Raad het besluit van verweerster om aan deze regeling geen terugwerkende kracht te verbinden heeft te respecteren, tenzij sprake zou zijn van schending van elementaire rechtsbeginselen. Van een zodanige schending is echter niet kunnen blijken.
Voorts heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grondslag gevonden voor het oordeel dat sprake is van zo bijzondere omstandigheden dat verweerster in het geval van eiser op deze regeling een uitzondering had behoren te maken.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.