ECLI:NL:CRVB:2006:AV3285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2547 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 lid 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolging

Eiser, geboren in 1933 te Kupang, vroeg in 2004 om erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij en zijn familie tijdens de Japanse bezetting moesten vluchten, zijn vader werd geïnterneerd en overleed kort daarna, en dat hij zelf in moeilijke omstandigheden in Indonesië achterbleef.

Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan, noch dat hij in omstandigheden verkeerde die vergelijkbaar zijn met vervolging. De Raad toetste dit besluit terughoudend vanwege de discretionaire beleidsvrijheid van verweerster.

De Raad concludeerde dat de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende verband houden met het doel van de Wet en dat het overlijden van zijn vader niet als gevolg van vervolging kon worden vastgesteld. Ook waren er geen uitzonderlijke omstandigheden die een gelijkstelling rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer wordt afgewezen.

Uitspraak

05/2547 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0866, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 januari 2006. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, in 1933 geboren te Kupang in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem als vervolgde voor een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet in aanmerking te brengen.
In dit verband heeft eiser gesteld dat hij met zijn familie bij de Japanse inval naar het binnenland is gevlucht. Nadien is zijn vader door de Japanners opgepakt en geïnterneerd; na zijn vrijlating is hij overleden. De familie was daarna steeds op de vlucht; zij hield zich op verschillende plaatsen schuil. Toen eiser na de Japanse capitulatie terugkeerde naar zijn geboorteplaats Kupang, kwam hij aldaar tot de ontdekking dat het ouderlijk huis was verwoest. Zijn moeder, zussen en broers zijn vervolgens naar Nederland vertrokken. Door omstandigheden is hij in Indonesië achtergebleven; hij heeft daar een bestaan opgebouwd.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit d.d. 6 september 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts dat de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet zodanig uitzonderlijk waren, dat daarin voor verweerster aanleiding was eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid onder a. Die omstandigheden betreffen vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiser tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Ook in het bij verweerster berustende dossier omtrent een zuster van eiser, [naam zuster], zijn geen gegevens omtrent eisers oorlogsomstandigheden aangetroffen.
Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge dit artikellid kan verweerster - onder meer - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Tot dergelijke omstandigheden pleegt verweerster te rekenen het omkomen van een ouder tengevolge van de vervolging of het zien wegvoeren van een ouder wanneer dit gepaard is gegaan met excessief geweld. Verweerster heeft omtrent de lotgevallen van eiser en zijn vader navraag gedaan bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie doch in de ter beschikking staande bronnen heeft ook dit Instituut geen objectieve gegevens over eiser en met name omtrent het overlijden van eisers vader kunnen vinden. Volgens gegevens van de Oorlogsgravenstichting zou eisers vader in 1942 door ziekte om het leven zijn gekomen.
Nu derhalve niet vaststaat dat eisers vader als gevolg van vervolging is overleden en onder welke omstandigheden hij in gevangenschap is weggevoerd, is de Raad van oordeel dat verweerster zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.
Gelet op de omschrijving van het begrip vervolging in artikel 2 van Pro de Wet, kan ook de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de door eiser aangevoerde oorlogservaringen in een te ver verwijderd verband staan tot doel en strekking van de Wet om hem onder de werking van de Wet te kunnen brengen. Het bestreden besluit kan mitsdien op dit punt de hiervoor omschreven toetsing van de Raad doorstaan.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.
(get. C.G. Kasdorp.
(get.) P. van der Wal.