ECLI:NL:CRVB:2006:AV3315

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2305 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van besluit inzake uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een eerder besluit van de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, waarbij de aanvraag van eiser om een uitkering op basis van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 werd afgewezen. Eiser, geboren op 2 september 1925 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in het verleden meerdere aanvragen ingediend, die telkens zijn afgewezen op grond van het ontbreken van causaal verband tussen zijn gezondheidsklachten en de oorlogservaringen. De meest recente aanvraag, ingediend in juni 2004, was gebaseerd op rugklachten, maar verweerster oordeelde dat deze klachten degeneratief en constitutioneel van aard zijn en niet gerelateerd aan de oorlogservaringen van eiser.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 12 januari 2006, waarbij eiser werd vertegenwoordigd door zijn advocaat, mr. A. Bierenbroodspot. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. T.R.A. Dircke. De Raad overwoog dat er geen nieuwe medische gegevens waren ingediend die een herziening van het eerdere besluit konden rechtvaardigen. De Raad concludeerde dat de eerdere afwijzing van de aanvraag terecht was en dat er geen redenen waren om het besluit te herzien. De Raad benadrukte dat de bevoegdheid tot herziening discretionair is en dat de toetsing door de Raad beperkt is, vooral in het geval van een tweede verzoek om herziening.

Uiteindelijk verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep van eiser ongegrond, wat betekent dat de eerdere besluiten van verweerster in stand blijven. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, en de leden mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed. De uitspraak vond plaats op 23 februari 2006.

Uitspraak

05/2305 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 maart 2005, kenmerk JZ/K70/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Namens eiser is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. In een aanvullend beroepschrift heeft deze gemachtigde de gronden aangevoerd waarop het beroep van eiser steunt.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter terechtzitting op 12 januari 2006. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigde mr. A. Bierenbroodspot voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren op 2 september 1925 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 1984 bij verweersters rechtsvoorganger de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (RUBO), een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de Wet. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 24 oktober 1985 op de grond dat eiser niet kan worden aangemerkt als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Daarbij is aanvaard dat eiser is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld, te weten zijn internering in het kamp Poendoeng, maar dat hij daarbij geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen. Blijkens het aan genoemd besluit ten grondslag liggende advies van de geneeskundig adviseur van de RUBO zijn bij dit oordeel eisers rugklachten, zijn psychische klachten alsmede zijn adipositas in beschouwing genomen.
Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
In oktober 1991 heeft eiser bij verweerster een verzoek om herziening van boven genoemd besluit c.q. een hernieuwde aanvraag ingediend, zulks op basis van de bij hem bestaande rug- en nierklachten, Dit verzoek van eiser is door verweerster afgewezen bij besluit van 24 april 1992, op de grond dat bij eiser geen sprake is van lichamelijk of psychisch letsel ten gevolge van de in zijn geval aanvaarde oorlogsgebeurtenis. Een door eiser tegen dit besluit ingediend bezwaar is bij besluit van verweerster van 9 maart 1993 ongegrond verklaard.
In juni 2004 heeft eiser zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag op grond van de Wet. Blijkens het de aanvraag begeleidende formulier Opgave gezondheidsklachten heeft eiser deze aanvraag gebaseerd op rugklachten. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 3 september 2004 en deze afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daarbij is overwogen dat er geen redenen zijn het eerder genomen besluit te herzien omdat de bij eiser aanwezige rugklachten niet zijn te relateren aan zijn oorlogservaring, maar degeneratief en constitutioneel van aard zijn.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Door zijn gemachtigde is aangevoerd dat verweerster de psychische klachten van eiser en de psychogene verergering van zijn rugklachten niet eerder heeft beoordeeld, zodat op dit punt de aanvraag van eiser niet als verzoek om herziening kan worden aangemerkt en voorts dat op dit punt door verweerster geen besluit is genomen.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan de gemachtigde van eiser meent, is door de RUBO in het besluit van 24 oktober 1985 een beslissing neergelegd met betrekking tot eisers psychische klachten en deze klachten zijn bij genoemd besluit als niet causaal aangemerkt. Voorts heeft verweerster zich naar het oordeel van de Raad bij het thans bestreden besluit kunnen en mogen beperken tot de beoordeling van de bij eiser aanwezige rugklachten, aangezien het door hem ingediende bezwaar was beperkt tot deze klachten en ook de aanvraag blijkens de door eiser gedane opgave van gezondheidsklachten daarop was gebaseerd. De omstandigheid dat in het ten behoeve van de aanvraag opgemaakte sociaal rapport tevens melding wordt gemaakt van “angsten, spanningen en depressies”, naar door eisers gemachtigde is aangehaald, doet dit naar het oordeel van de Raad niet anders zijn.
De onderhavige aanvraag van eiser draagt, naar verweerster terecht heeft geoordeeld, het karakter van een verzoek om herziening met betrekking tot het in eerder genoemd besluit van de RUBO van 24 oktober 1985 neergelegde standpunt dat eisers rugklachten met het door hem beleefde oorlogsgeweld geen verband houden.
Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende ingediende aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dat betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt en dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Deze rechterlijke toetsing is in dit geval te meer beperkt omdat het hier gaat om een tweede verzoek om herziening.
De Raad moet vaststellen dat door eiser bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek geen medische gegevens zijn ingebracht die aan verweerster nog niet bekend waren of op de onderhavige kwestie een nieuw licht werpen. Verweerster heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien haar eerder ingenomen standpunt dat eisers rugklachten geen verband houden met zijn oorlogservaringen te herzien.
Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling- Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) P. van der Wal.