ECLI:NL:CRVB:2006:AV3325

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4986 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WAZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak over berekening maatvrouwinkomen bij WAZ-uitkering

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die het bezwaar van gedaagde tegen de weigering van een WAZ-uitkering gegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat bij de berekening van het maatvrouwinkomen ten onrechte was uitgegaan van de gerealiseerde winst over drie boekjaren in plaats van één dan wel vijf.

De Centrale Raad van Beroep stelt dat artikel 8, tweede lid, van de WAZ niet ziet op de vaststelling van het maatvrouwinkomen, maar op de grondslag voor de berekening van de uitkering. Volgens vaste rechtspraak wordt het maatvrouwinkomen vastgesteld aan de hand van de fiscale winst over de drie volledige boekjaren voorafgaand aan het jaar van arbeidsongeschiktheid.

De Raad ziet geen reden hiervan af te wijken, ook niet vanwege fiscale keuzes van gedaagde die de winst over 1997 verlaagden. Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover aangevochten en het inleidend beroep wordt alsnog ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

Uitspraak

03/4986 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem op 28 augustus 2003 onder kenmerk Awb 02/1662 WAZ tussen partijen gewezen uitspraak.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 januari 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft appellant de aanvraag van gedaagde tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) afgewezen, omdat gedaagde na het verstrijken van de wettelijke wachttijd per 29 juni 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Hieraan ligt ten grondslag dat gedaagde, ondanks de voor haar geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen in staat is met andere dan haar eigen werkzaamheden in haar bedrijf voor public relations en communicatie ten minste 75% van haar zogeheten maatvrouw-inkomen te verdienen. Het tegen het besluit van 5 februari 2002 gerichte bezwaar heeft appellant bij het bestreden besluit van 27 september 2002 ongegrond verklaard.
De Raad stelt uitdrukkelijk voorop dat zijn oordeel in dit geding is beperkt tot de aanspraak van gedaagde op uitkering per 29 juni 1999.
Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank gegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen - samengevat - dat appellant bij de berekening van het maatvrouwinkomen, gelet op artikel 8, tweede lid, van de WAZ, ten onrechte is uitgegaan van de door gedaagde gerealiseerde winst over drie in plaats van één dan wel vijf boekjaren.
Tegen dat onderdeel van de aangevallen uitspraak is appellant naar het oordeel van de Raad terecht opgekomen, met de, zelfstandig te beoordelen, beroepsgrond dat artikel 8, tweede lid, van de WAZ niet ziet op de vaststelling van het maatvrouwinkomen, maar van de grondslag waarnaar de WAZ-uitkering wordt berekend. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt het maatvrouwinkomen in beginsel vastgesteld aan de hand van de fiscale winst over de drie volledige boekjaren, die aan het jaar waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden vooraf gaan. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding hiervan af te wijken. Deze aanleiding is (ook) niet gelegen in de omstandigheid dat als gevolg van door gedaagde gemaakte fiscale keuze de winst over 1997 lager is uitgevallen dan over andere jaren.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
MvK31016